Wat we van Plato kunnen leren in de kerk

Dit artikel werd gepubliceerd op lazarus.nl

De Griekse filosoof Plato (427-347 v.Chr.) vertelt, bij monde van Socrates, in Theaetetus een verhaal over de filosoof Thales van Milete.

Terwijl Thales de sterren aan het bestuderen was en naar boven keek, viel hij in een greppel. Een Thracisch dienstmeisje spotte met hem, omdat hij zo ijverig was om de dingen van de hemel te kennen dat hij niet zag wat zich vlak voor zijn voeten bevond. Dit is toepasbaar op iedereen die het leven doorbrengt met filosoferen.

Dit verhaaltje werd overgenomen door filosofen Hannah Arendt en Martin Heidegger en doet nadenken over filosofie als dagtaak. Heidegger schreef: ‘We doen er goed aan om ons bij gelegenheid te herinneren, dat wij in de loop van onze tocht wel eens in een put kunnen vallen, zonder ooit de grond te zullen bereiken.’* De filosoof, de professionele denker, wordt tegenover de gewone mens gezet en komt er niet al te fraai uit.

Wat is er mis met dingen van de hemel?

Ik kon het niet helpen dat mijn gedachten bij het lezen van dit verhaaltje naar de (evangelische of andere) kerk getrokken werden.

Hij was zo ijverig om de dingen van de hemel te kennen.’ 
Wat is daar mis mee, een christen is toch per definitie gericht op wat boven is? Welja, het is inderdaad lastig om jezelf christen te noemen zonder gericht te zijn op het hemelse, het goddelijke. We zien dat zeker in de christelijke mainstream cultuur, vertegentegenwoordigd in christelijke boeken en songs, die gericht is op het versterken van de persoonlijke relatie met Jezus Christus. Je identiteit en je geestelijke weerbaarheid moeten groeien. De kerk (on- of offline) verwordt dan snel tot het instrument dat die relatie om de zoveel tijd (liefst zelf te kiezen) nieuw leven in moet blazen.

Ik schrijf wat schamper, maar natuurlijk ben ik het ermee eens dat onze blik naar boven gericht mag zijn. Voor de een betekent dat een focus op gebed of het beleven van liturgie, voor de ander overdenken en filosoferen en voor nog een ander aanbidding via muziek, kunst of noem maar op. Dat is goed. En nodig ook. Het is een vast onderdeel van onze geloofsbeleving.

Maar we moeten ons ervan bewust zijn dat dat een comfortzone is. Het is veilig, of beter: het lijkt veilig om je ogen enkel naar boven gericht te houden.

Lees het volledige artikel op lazarus.nl

Wachten tot 2022 op een vaccin

Je zal er maar wonen… in één van die landen waar je tot 2022 moet wachten op een vaccin. Zelfs bij een maximale productiecapaciteit is dat het lot van ongeveer een kwart van de wereldbevolking.

“Binnen de Wereldhandelsorganisatie en het Europese Recht bestaan gelukkig clausules die patenten aan de kant kunnen zetten tijdens een gezondheidscrisis. De Europese Commissie blokkeert echter stelselmatig elk internationaal voorstel dat een open uitwisseling en vrij gebruik van technologieën mogelijk zou maken”, schrijft De Morgen.

Eind november startte er een Europees burgerinitiatief, gesteund door een reeks Belgische gezondheidsexperts en anderen. Daarmee willen de initiatiefnemers de Europese Commissie aansporen om ervoor te zorgen dat open uitwisseling mogelijk wordt – iets wat is het verleden mogelijk was voor HIV (met veel vertraging) en polio.

1 miljoen handtekeningen zijn nodig. Er zijn intussen (op 21/01/2021) bijna 35.000 handtekeningen. Nog een lange weg te gaan dus. Petities en dergelijke laat ik normaal aan mij voorbij gaan, maar deze heb ik wel getekend. Hier kan je zelf tekenen.

Het rode koord

Met ‘Het rode koord’ schreef Ted Dekker voor het eerst een thriller met zijn dochter, Rachelle. Vader en dochter gooien de lezer in de wereld van Grace. Zij is haar moeder gevolgd die zich met een honderdtal gelovigen teruggetrokken heeft in een veilige vallei. Het dorp waar ze wonen wordt omringd door een rood koord. Binnen het rode koord is elke dorpeling veilig, zolang ze gehoorzaam zijn aan zeer duidelijke regels. Daarbuiten is een wereldwijde zuivering bezig. Fury’s gaan rond en doden iedereen die geen gehoor heeft gegeven aan Sylous, de mysterieuze figuur die hen ‘redde’ uit de wereld en af en toe weer opduikt in het dorp. 

Dé grote vraag in het verhaal is wie nu eigenlijk de vijand is. Is het de wereld buiten het rode koord waar de fury’s rondwaren? Zijn de fury’s de vijanden en wat zijn ze dan precies? Of Sylous of misschien Eli, de jongen die het dorp binnengekomen is en niet zomaar een jongen blijkt te zijn? 

Dekker staat erom bekend dat hij in zijn romans en thrillers theologie verweeft. Dat is hier niet anders. Op de achtergrond spelen enkele thema’s. Het meest duidelijk is dat van de manier waarop christenen zich bewegen in de maatschappij. De groep in het verhaal kiest voor een duidelijke afzondering. De ware gelovigen die zich terugtrekken in een naar hun aanvoelen veilig bastion. Een ander thema is dat van de betekenis van licht, liefde en je identiteit als christen. Het zijn thema’s die Dekker wel vaker aansnijdt.

Het boek zelf leest vlot, zoals we mogen verwachten van Dekker. Het is eenvoudig een fijn boek om te lezen. Zeker ook geschikt voor tieners die houden van een spannend boek. 

Ted & Rachelle Dekker, Het rode koord, (KokBoekencentrum, 2020, 350 blz.)

De toekomst die groter is dan het verleden

Samuel Wells is theoloog en predikant van St. Martin-in-the-Fields in Londen. Het is nogal ambitieus om een nieuwe weg voor de kerk neer te schrijven. Wells probeert dat en, toegegeven, hij slaagt erin om mij alvast enthousiast te maken. 

Een streepje achtergrond. St. Martin-in-the-fields is de kerk die bij Trafalger Square ligt (centraal op de foto). Midden in het bruisende hart van Londen en dus in een context die de meeste kerken niet hebben. Doorheen het boek beschrijft Wells de activiteiten van hun kerk en die zijn dus te begrijpen in dit licht. Behoorlijk onhaalbaar in onze Vlaamse context. Het komt er dus op aan een vertaalslag te maken en bepaalde principes mee te nemen uit dit boek.

In zes hoofdstukken legt Samuel Wells zijn visie op die nieuwe weg voor de kerk uit. Hij spreekt over kansen voor de kerk, waarin gemeenschappen belangrijk zijn. Gemeenschappen die gekleurd worden door hoop, diversiteit, nederigheid, creativiteit, … Daarnaast komen investeren in het koninkrijk vanuit dankbaarheid en een verbinding tussen de kerk en zaken doen aan bod. Liefdadigheid en cultuur volgen, waarna het verwezenlijken van Gods aanwezigheid de rij sluit. 

Elk van deze onderwerpen wordt aan een kritische blik onderworpen: hoe werkt het momenteel in veel kerken, wat is er goed en wat zou een nieuwe weg kunnen zijn? Daarin schroomt Wells de heilige huisjes niet. Zijn blik is open naar de kerk en naar de wereld, zonder al te naïef te zijn. Ik citeer een erg belangrijke zin (p.151): “De stelling van het boek is simpel: betrokkenheid in commerciële, compassievolle en culturele initiatieven berooft de kerk niet van haar energie, identiteit of focus – integendeel, het kan ervoor zorgen dat gemeenten de bronnen voor hun eigen vernieuwing terugkrijgen.”

Wells’ stelling en zijn uitwerking ervan in het boek resoneert wel bij mij, moet ik zeggen. Hoewel ik er onderdeel van uitmaak, loop ik al lang aan tegen het gegeven dat de grootste hap van de ‘kerkelijke energie’ gaat naar de zondagsamenkomsten. Die hap is de voorbije decennia in onze evangelische kerken alleen maar groter geworden. Doordeweekse samenkomsten zijn voor velen hoe langer hoe moeilijker. Het is interessant om te zien dat er desondanks niet meer energie is om die zondagsamenkomsten neer te zetten. Zijn er, in vergelijking met tien jaar geleden, meer mensen bereid om zondagklassen te doen, de koffie te zetten, diensten te leiden, te spreken, creatieve invulling te geven, …? We doen minder en toch lijkt er niet meer energie te zijn. We zoeken de schuld quasi altijd in onze jachtige maatschappij en voor een deel klopt dat wellicht wel. Toch denk ik al langer dat het verhaal breder is: hoe minder beweging, hoe meer stilstand. We werken veelal op het status quo en op langere termijn verdwijnt ons enthousiasme en met ons enthousiasme onze energie. Dat zie ik ook bij Wells. Zijn stelling dat kerkelijke betrokkenheid in initiatieven de kerk niet berooft van energie, identiteit of focus, maar net een bron van energie kan zijn, wil ik graag onderschrijven. Als mensen een visie hebben en daar in een kleine gemeenschap of groep voor gaan, dan moet je meestal niet ver zoeken naar energie en is er best wel wat mogelijk qua tijd. Kortom, we moeten hoogdringend onze kerkelijke focus verleggen, willen we weer leven zien. 

De kerken zitten nagenoeg in lockdown, dus veel activiteiten liggen stil. We zullen er niet onmiddellijk van verlost zijn. Een mooie gelegenheid om dit boekje te lezen, je te laten inspireren en te dromen. 

Van harte aanbevolen!

Samuel Wells, De toekomst die groter is dan het verleden, (Kokboekencentrum, 2020, 208 blz.)

Multiculturele gerechtigheid

Het woord multicultureel zorgt, volgens de schrijver van het centrale essay in dit boek, voor een Babylonische spraakverwarring. Jonathan Chaplin onderscheidt dan ook zes betekenissen van het begrip ‘multiculturalisme’. Daarbij moet gezegd dat een evaluatie van multiculturalisme eigenlijk samenhangt met de vraag wanneer een samenleving goed functioneert. Die vraag is natuurlijk erg relatief.

De multiculturele samenleving wordt door velen als achterhaald beschouwd. Chaplin breekt een lans om dit niet zomaar te laten varen. Natuurlijk zijn er voorwaarden. Zo moet er sprake zijn van maatschappelijke cohesie en van burgerschap. De terechte vraag of een multicultureel beleid tot segregatie leidt, wordt door Chaplin vrij genuanceerd beantwoord. Hij ziet dat er grond is voor zulk een conclusie, maar ziet ook succesvolle beleidslijnen (in het Verenigd Koninkrijk) die verdergezet kunnen worden.

Het boek bestaat uit een essay (van Jonathan Chaplin) aangevuld met reflecties vanuit de wetenschappelijke instituten van drie politieke partijen (CDA, CU en SPG) en van een deskundige op gebied van interreligieuze en interculturele dialoog. Aan het slot is er nog een evaluatie. Het essay is interessant, maar de reflecties erop maken het boek een pak interessanter. Daarin worden namelijk enkele uitgangspunten van Chaplin terecht bevraagd en worden alternatieven naar voor geschoven.

Door wat er de voorbije weken gaande is rond racisme is dit een erg actueel boek. Hoe gaan we in het algemeen om met de aanwezigheid van verschillende culturen in ons land en hoe moet de overheid zich daarin opstellen? Chaplin zegt dat zij een kader moet creëren waardoor individuen en minderheden eerlijk behandeld worden (multiculturele gerechtigheid). Het CDA (dat net als CD&V vasthoudt aan het adagium ‘Ieder mens telt’) is van mening dat multiculturele gerechtigheid net zorgt voor segregatie en hokjesdenken en bepleit ‘publieke gerechtigheid’. Dat is het besef dat de articulatie van verschillende visies pas volledig is als iedereen mee kan doen. De gemeenschap, een cultuur van gedeelde verantwoordelijkheid, staat voorop. De overheid kan daarbij voorzien in vormen van participatie voor iedereen, ongeacht de culturele achtergrond. 

Kortom, een lezenswaardig boekje. Niet zozeer door hét juiste antwoord, maar wel door de verschillende stemmen die aan bod komen en die uitdagen tot verder denkwerk.

Jonathan Chaplin, Multiculturele gerechtigheid, (Buijten & Schipperheijn Motief, 2020, 206 blz.)

Death is a welcomed friend

Gods wegen zijn ondoorgrondelijk en sommige christenen lijken daar nog een ferme schep bovenop te willen doen. Pastor Tony Spell van Life Tabernacle Church in Baton Rouge (Louisiana) blijft zich al weken verzetten tegen de coronamaatregelen in de VS. Ze zijn volgens hem een aanslag op de vrijheid. Hij roept christenen dan ook op om de lockdown naast zich neer te leggen. Death is a welcomed friend, zo zegt hij.

Op 8 April strooide pastor Tony Spell van Life Tabernacle Church in Baton Rouge in een interview (hier te bekijken) met Bijbelteksten. Op de vraag wat hij zou zeggen als één van zijn kerkgangers zou sterven aan het virus antwoordde hij: “They died like free people, fighting for their convictions.” Intussen zijn enkele kerkleden besmet en is ook iemand gestorven, hoewel Spell beweert dat dat niet ten gevolge van corona was.

Central City News

Na vermeende intimidatie van een protesteerder bij zijn kerk (een bus achteruit tot vlak bij de man rijden) werd hij in huisarrest geplaatst. Ook dat kon hem niet deren. Afgelopen zondag preekte hij in zijn kerk en toonde zijn enkelband.

Elders zegt Spell dat hij de maatregelen aan zijn laars lapt, omdat het Gods gebod is om het goede nieuws te verspreiden. Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat hij iets anders aan het verspreiden is…

Heerschappij (Tom Holland)

Het is niet eenvoudig wat Tom Holland gedaan heeft: 2500 jaar geschiedenis vertellen op een aangename manier. Er zijn al veel geschiedkundige werken verschenen die een algemeen overzicht geven, maar die blinken meestal uit in feitenoverzicht. Interessant, maar het is taaie biefstuk. Holland, auteur van historische boeken, is erin geslaagd om zijn biefstuk à point op te dienen. Hij doet dat door in elk hoofdstuk goed gekozen anekdotes te gebruiken als opstap voor de beschrijving van het denken van een bepaalde tijd of voor een beweging in de geschiedenis. Het verveelt niet.

Wie de Griekse, Joodse en kerkgeschiedenis kent, zal weliswaar veel herhaling zien. Vanuit het oogpunt dat je leert door herhaling, is dat natuurlijk niet mis. De verdienste van Tom Holland is dan ook niet dat hij veel nieuwe informatie aanreikt ten opzichte van andere geschiedkundige werken. Zijn verdienste is dat hij probeert een gemakkelijk leesbaar beeld te schetsen met oog voor de twee kanten van een verhaal. Botste Galileo met de Kerk, omdat die ‘anti-wetenschap’ zou geweest zijn? Dat wordt gemakkelijk aangenomen, maar Holland laat zien dat het verhaal veel genuanceerder en subtieler is. En was het de bedoeling van de Verlichtingsdenkers van het eerste uur om te breken met de kerk of het geloof? Holland toont aan dat ‘secularisatie’ of ‘Verlichting’ geen donderslagen bij heldere hemel waren, maar eerder producten van de kerkgeschiedenis en dat Verlichtingsdenkers sterk ingebed waren in het christelijk denken. 

We kunnen overigens gerust stellen dat bovenstaande een sleutelpunt is in het discours van de schrijver. Het grote verhaal van Holland is dat in onze maatschappij, ons denken nog steeds de schaduw van God vereerd wordt (zie Nietzsche). We proberen ons te ontdoen van al wat christelijk is, maar de grotten waar de schaduw aanwezig is, zijn talrijk. Neem nu het humanisme dat beweert dogma-loos te zijn. De rechten van de mens vormen daar het moreel referentiekader. Waarop is de humanistische moraal dus gebaseerd? Op de rede? Nee, zegt Holland, de bron ligt in de geschiedenis, in het christelijke denken. Nietzsche zou het de schaduw van God noemen. 

Enkele puntjes van kritiek moeten me toch van het hart. Tom Holland gaat uit van de bronnentheorie of Wellhausen-hypothese, wanneer hij op p.71-74 verwijst naar de evolutie polytheïsme – monotheïsme in de Pentateuch. De hypothese dat elke religie die evolutie doormaakt is intussen al lang dood en begraven. En wat de vertaling betreft, viel het me op dat de vertaler, waar de Bijbel geciteerd wordt, koos voor de Statenvertaling. Toch wel een gemiste kans. Er zijn nieuwere en beter begrijpbare vertalingen voorhanden.

De anekdotische aanpak én het grote verhaal dat Holland vertelt zorgen voor een aangenaam leesbare tocht door de (kerk)geschiedenis. Ik kan het boek aanbevelen aan wie geïnteresseerd is in een gebalanceerd geschiedkundig werk.

Tom Holland, Heerschappij, (Athenaeum, 2020, 639 blz.)

Operatie propere handen?

Deze mijmering verscheen tijdens de vastentijd op doorbraak.be.

De weg naar Pasen, de vastentijd, stond voor mij, als gelovige, nog nooit zo in het teken van ‘wassen’ als dit jaar. In deze coronatijden wordt ons dagelijks verteld dat we onze handen moeten wassen. Geen kattenwasje, maar een zeer uitgebreide, degelijke wasbeurt. Een uiterlijke wasbeurt. Dat is nodig. We weten intussen (hopelijk) allemaal hoe belangrijk dat is om de opmars van het virus te vertragen.

Vasten: een tijd om te wassen

Naast de uiterlijke wasbeurt is er ook sprake van een innerlijke wasbeurt, om het zo te zeggen. Vanouds is de vastentijd, de 40 dagen voor Pasen, namelijk een periode van inkeer. Dat dit nooit eerder zoveel betekenis voor mij had, zegt wellicht veel over mij en niet zoveel over de vasten. Meestal sta ik wel stil bij het begin van de vasten, maar eenmaal daar voorbij dendert mijn leven gewoon voort, tot aan Pasen. In de voorbije jaren hebben de aanslagen in Brussel (22 maart 2016) en de brand in de Notre-Dame (15 april 2019) me ook wel kort doen stilstaan tijdens de vasten, maar dit jaar is anders. Elke dag opnieuw worden we met de neus op de feiten gedrukt en we weten dat de nasleep hiervan nog vele maanden zal duren.

In oude christelijke doopvonten vinden we regelmatig een gebed van Gregorius van Nyssa, een christelijke bisschop uit de vierde eeuw na Christus en een van de zogenaamde Cappadocische vaders. Onder andere in de Aya Sophia, oorspronkelijk een christelijke kerk (de Hagia Sophia of Heilige Wijsheid) kan je het gebed lezen. Het is een bekend palindroom: Nιψον ἀνομηματα μη μοναν ὀψιν. De vertaling luidt als volgt: ‘Was mijn ongerechtigheden af, niet alleen maar mijn gezicht’. U hoeft niet bang te zijn. Dit is geen preek over zonde, hel en verdoemenis. Het gebed van Gregorius wil ik gebruiken als beeld. Hij zag namelijk de nood aan het wassen van het uiterlijke, maar ook aan het innerlijke.

Innerlijke nood

Het innerlijke. Waar leven we voor? Waar zijn we op langere termijn op gericht? Waar komen al die burn-outs vandaan? Zijn alle gebroken relaties echt niet meer te herstellen? Waarom ligt er zo’n grote druk op jonge gezinnen? Doen we dit onszelf aan of kunnen we hier helemaal niet aan ontsnappen? Vragen waar we te weinig aandacht aan gegeven hebben. Er is veel innerlijke nood in ons land. De wachtlijsten bij de psychologen en psychiaters liegen er niet om. Tot voor een paar weken leken we in een onstopbare mallemolen te zitten. Er was geen tijd om te wassen, proper te maken, te herstellen. Misschien nu wel, nu we stilgezet worden.

Laat me duidelijk zijn. Ik geloof in God, maar niet in de theorie dat Hij deze coronacrisis heeft uitgelokt of dat het een straf zou zijn. De voorbije weken werd zoiets wel eens opgeworpen. Nee. Wat ik wel geloof, is dat situaties in ons leven momenten van inkeer kunnen betekenen. Momenten waarin we niet alleen onze handen of ons gezicht wassen, maar ook ons innerlijk.

In kerkelijke termen is dat vasten en in kalendertermen een lenteschoonmaak in ons binnenste. Ik hoop dat de uitkomst van de coronacrisis niet zal zijn dat we over enkele maanden als vanouds voortdenderen, onszelf opjuttend en afmattend om de economische achterstand in te halen. Ik hoop oprecht dat we hier een en ander uit meenemen. 

Hoopvol

Er wordt vandaag veel aandacht besteed aan het belang van sociale contacten en solidariteit. Psychiater Dirk De Wachter, die veel van de innerlijke noden van mensen te horen krijgt, zal het graag horen. Hij roept al enkele jaren ertoe op dat we onze eilandjes verlaten en tijd maken voor elkaar. Geen ingewikkelde programma’s of duizelingwekkende oplossingen. Gewoon, eenvoudig er zijn voor elkaar. Misschien betekent dit dat we een en ander in ons leven moeten aanpassen. Misschien moeten we met minder tevreden leren zijn. Misschien moeten we keuzes maken voor een minder jachtig bestaan, waarin meer ruimte is voor innerlijk herstel en verbinding met de ander.

Op een bepaalde manier ben ik hoopvol. Niet omdat ik veel tekenen zie van verandering, maar omdat ‘er zijn voor elkaar’ en keuzes maken voor de ander perfect past bij wie de mens is. Mijn geloof in God zegt dat het resoneert met hoe de mens gemaakt is en dat we ergens (soms diep vanbinnen) weten dat een harmonieuze verbinding met de ander meer voldoening geeft dan wat ook.

Deze mijmering verscheen op doorbraak.be

Wetsvoorstel abortus bedreigt gelijkheid

Dit artikel verscheen op doorbraak.be

Vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid. De drieling die door de verlichting gebaard werd, wordt in ons land door een aantal politieke partijen gretig in de mond genomen. Hoewel, broederlijkheid is het zieke broertje en wordt vaak vergeten. Vrijheid en gelijkheid daarentegen zijn de vlaggen die overal geplant worden en zelfbeschikkingsrecht als uitloper daarvan wordt hoog in het vaandel gedragen.

De abortuswet

Dat zien we met name in het wetsvoorstel rond abortus dat momenteel voorligt. Het advies van de Raad van State op vrijdag 28 februari is door Covid-19, waarin ironisch genoeg de bezorgdheid om de gezondheid en het leven vooraan staat, naar de achtergrond gedrukt. Het advies komt erop neer dat de RvS het wetsvoorstel weinig in de weg legt. Abortus tot achttien weken. Check. Ingekorte bedenktijd tot 48 uur (hierover schreef Silke Brants van Fara vzw een interessant opiniestuk in De Standaard). Check. Abortus wordt uit de strafwet gehaald en verwordt tot een medische ingreep als een andere. Check.

De Raad van State heeft het wel moeilijk met één kwestie: het strafbaar maken van het ‘fysiek of op enigerlei andere wijze’ proberen te weerhouden van abortus. Stel dat je de partner bent van een vrouw die abortus wil, maar wel een duidelijke kinderwens hebt… Mag je dan nog op haar inpraten om haar van gedacht te doen veranderen? Wat mag wel? Wat niet? Het wetsvoorstel biedt daar geen afdoend antwoord op en de vragen van parlementsleden aan de indieners van het wetsvoorstel bleven eind december 2019 onbeantwoord. Er wordt een grijze zone gecreëerd, waardoor het heel tricky wordt als een partner zich tegen de abortus wil verzetten. Daar heeft de Raad van State, terecht, vragen bij.

Vrijheid en gelijkheid?

Ik wil niet schrijven over de juridische kant van de zaak, maar ze tegen het licht van vrijheid en gelijkheid houden. Ten diepste komt de wet erop neer dat het vergroten van vrijheid en zelfbeschikkingsrecht van de ene (de zwangere vrouw) de inperking van vrijheid en zelfbeschikkingsrecht van de andere (de partner) betekent. Je kan je de vraag stellen of de partner nog wel gelijk is aan de zwangere vrouw. Inzake de positie van de partner gebeurt er zelfs iets pervers in het huidige wetsvoorstel: je kan je partner niet meer ongestraft weerhouden van, maar haar wel ongestraft dwingen tot abortus. Hoezo, vrijheid en gelijkheid?

Dat vrijheid en gelijkheid niet absoluut kunnen zijn, is niet enkel in de abortuskwestie het geval. Roger Scruton (waar ik het niet onverdeeld mee eens ben) duidt in het Het nut van pessimisme op de onmogelijkheid van het samenvoegen van vrijheid en gelijkheid. In een maatschappij die vrijheid wil creëren op elk vlak, zal ongelijkheid de kop opsteken. Als je de burgers van een maatschappij volledige vrijheid geeft, zullen sommigen (of velen?) keuzes maken die voor ongelijkheid zorgen.

Dat zien we nu al, ondanks alle wetgeving, gebeuren in criminele milieus waar mensen uitgebuit, verkocht of tot prostitutie gedwongen worden. En vice versa, wanneer gelijkheid nagestreefd wordt, zal onvrijheid de kop opsteken. In een maatschappij waarin niemand omwille van zijn geslacht slechter behandeld mag worden, zal men niet meer vrij zijn om dat wel te doen. Niet dat ik vind dat men omwille van zijn of haar geslacht slechter behandeld moet worden.

Het moet duidelijk zijn dat de inperking van vrijheden een normale gang van zaken is. Een partij die focust op de vrijheid en het zelfbeschikkingsrecht van één groep zal, als een soort collateral damage, de vrijheid en het zelfbeschikkingsrecht van een andere groep beperken. Het moet duidelijk zijn dat de inperking van vrijheden een normale gang van zaken is. Dat wordt maar zelden gezien, laat staan verwoord, door de partijen die op de barricades van het zelfbeschikkingsrecht staan. Hoewel ze vrijheid en gelijkheid voor ogen hebben, tekenen zij een smal (ethisch) pad uit, dat iedereen moet bewandelen.

Lees verder

Zondig dapper

Dietrich Bonhoeffer was een opmerkelijk theoloog. Actief voor en tijdens de tweede wereldoorlog. En dat niet zomaar als stoffig academicus, maar als lid van de verzetsbeweging tegen Hitler, wat hem zijn leven gekost heeft. Zijn denken werd sterk bepaald door de woelige periode in aanloop naar en tijdens WO II. Meer nog, hij heeft aan het einde van zijn leven gezien waar het christendom naar op weg was en geprobeerd daarop te anticiperen. Zijn gedachten zijn, wat mij betreft, nog steeds actueel.

In dit boekje toont Edward van ’t Slot dat Bonhoeffers ideeën op ethisch, persoonlijk en politiek vlak inderdaad relevant zijn voor de dag van vandaag. Genade is niet goedkoop, niet gemakkelijk. Het kost veel. Tachtig jaar geleden hamerde de Duitse theoloog er al op dat de kerk zich niet mocht opsluiten in zichzelf. Christen zijn betekent aanwezig zijn in je omgeving. 

Bonhoeffer stuurde aan op een areligieus christendom. Met religieus bedoelde hij ‘de houding die mensen altijd maar wil betrappen op iets slechts, iets zondigs, of tenminste iets twijfelachtigs’ (p.76). Hij voorzag een mondige wereld en dat is precies waar wij vandaag in leven. In deze wereld moet het christendom aanwezig zijn, zonder muren, zonder denken in termen van ‘binnen’ en ‘buiten’, niet al te vroom en niet al te rechtvaardig. 

De theoloog maakte zich ook sterk dat christenen zich niet moesten verenigen in allerlei groeperingen en organisaties, maar moesten meewerken met anderen. In dat kader mag je ook Bonhoeffers politieke betrokkenheid plaatsen. Die was vanzelfsprekend voor hem. Van ’t Slot toont daarbij aan dat de theoloog niet zo gemakkelijk te claimen door een ‘isme’. 

Van ’t Slot gidst je in dit boekje door bovenstaande thema’s. Hij geeft relevante achtergrond uit Bonhoeffers leven, citeert hier en daar korte stukjes uit zijn brieven en koppelt doelbewust aan bij onze situatie vandaag. Vooral dat laatste is een meerwaarde. Zondig dapper is niet zomaar een vrijblijvende bloemlezing uit Bonhoeffers oeuvre. Geheel in lijn met de boodschap van de theoloog zelf is het een oproep om aan de slag te gaan of alleszins om op een andere manier te kijken naar hoe je als christen in je omgeving staat. 

Een aanrader!

Edward van ’t Slot, Zondig dapper, (KokBoekencentrum, 2019, 127 blz.)

Naar een recht op vrije beschimping?

Dit artikel werd gepubliceerd op doorbraak.be

Stel je voor dat je op Instagram de avances van een jonge moslim afwijst en daaropvolgend te horen krijgt dat je islamofoob en racistisch bent. Het overkwam Mila, een 16-jarige Française. Haar reactie was niet van de poes: iets met een vinger in het achterste van de god van de islam. Waarna ze bedolven werd onder haatboodschappen en doodsbedreigingen.

Een vinger in het achterste

Dat was voor Ann De Craemer, columniste bij De Morgen, het signaal om op 4 februari haar vinger in de kont van alle goden ter wereld te steken. Ik heb geprobeerd me er een voorstelling van te maken, maar botste op de grenzen van mijn fantasie. De Craemer voegde er overigens nog aan toe dat zo’n opmerking haar niet onrespectvol maakt. In mijn ogen was dat een geslaagde poging om het concept respect helemaal uit te hollen. Ook Maarten Boudry had trouwens nog een vinger vrij om in het gaatje te steken. Dat een 16-jarige zo’n boude uitspraak doet, kan ik begrijpen, maar van Boudry, De Craemer en anderen mag je toch verwachten dat zij beter kunnen.

Vrijheid van meningsuiting

Het gaat in deze kwestie over vrijheid van meningsuiting. Eveneens op 4 februari legde Jurgen Slembrouck op vrtnws.be enkele terechte vragen neer: ‘Hoe ruim is de vrijheid van meningsuiting? Reikt die vrijheid zo ver dat ze ook kritisch mag zijn voor religieuze overtuigingen? Zijn er stilistische criteria waaraan die kritiek moet beantwoorden om rechtmatig te zijn? Anders gesteld, is slechte smaak een misdrijf?’

Ja, natuurlijk mag er kritiek zijn op religieuze overtuigingen. Wie mij kent, weet dat ik (a) gelovig ben en (b) kritisch sta ten aanzien van heel wat religieuze zaken. Daarnaast mag er, in een verlichte samenleving, ook kritiek zijn op niet-religieuze overtuigingen. Tenminste, dat hoop ik toch…

Nee, juridisch gezien zijn er geen stilistische criteria waaraan die kritiek moet beantwoorden. Mila, die zich overigens al verontschuldigde voor haar grof taalgebruik, zal er niet voor gestraft worden en Ann De Craemer evenmin. Hoewel ik De Craemers opmerking wel degelijk onrespectvol vond, zou hetgeen ze zei ook niet strafbaar moeten worden. Aan het uitdragen van haatboodschappen of het uiten van doodsbedreigingen daarentegen moet paal en perk gesteld blijven. Daarnaast dient iemand die ten prooi valt aan zulks beschermd te worden.

If they go low…

Evelyn Beatrice Hall schreef in The Friends of Voltaire  (1906) een zin die, onterecht, aan Voltaire toegeschreven wordt: ‘Ik ben het niet eens met wat je zegt, maar ik zal het recht om het te zeggen tot de dood toe verdedigen’. Het mag duidelijk zijn dat er mijns inziens niet getornd hoeft te worden aan het recht op vrije meningsuiting en dat we dat mogen verdedigen. Dat neemt echter niet weg dat we onszelf de vraag kunnen, of moeten, stellen hoe we dat recht gebruiken.

In 2016 sprak Michelle Obama legendarische woorden: ‘If they go low, we go high.’ Die uitspraak werd naar mijn aanvoelen de voorbije dagen naar de prullenbak verwezen.

Lees het volledige artikel op doorbraak.be

De Schaduwdokter

Velen leerden Adrian Plass kennen door zijn knotsgekke gewijde dagboeken. Briljante boeken voor wie niet bang is van een fikse dosis christelijke humor of zelfspot en voor wie in een spiegel durft te kijken. 

Anders en toch ook niet

De Schaduwdokter is anders en toch ook niet. Anders, omdat het een ernstige roman is, eerder aan de melancholische kant. Het heeft iets van Sherlock Holmes en diens onafscheidelijke dr. Watson. Alleen moeten in dit boek geen moorden of ontvoeringen opgelost worden, maar de pijn of het verdriet dat sommigen doormaken. De Schaduwdokter (ofwel Sherlock Holmes) heeft een opmerkelijke gave om mensen te doorgronden, maar blijkt ook zelf met een rugzak rond te lopen. De ik-persoon in de roman, Jack Merton (ofwel dr. Watson), zal op zijn beurt bepalend worden voor de Schaduwdokter. 

Een spiegel

De roman is toch ook niet anders dan Plass’ andere boeken. De schrijver schopt al eens graag tegen vastgeroeste geloofsideeën of gewoonten in de kerk. Hij durft het opgehemelde beeld dat we ervan hebben aan diggelen te gooien. Hij schrikt er niet voor terug de olifant in de kamer te benoemen. Zo fungeert ook deze roman als een spiegel.

Onder de oppervlakte schreeuwt Plass dat er ruimte moet zijn voor gebrokenheid, voor moeite, voor lastige vragen, voor onbegrip. Een opgepoetste kerkdienst of afgeborsteld pastoraal gesprek waarbij men ons probeert te overtuigen dat we blij moeten zijn, terwijl ons hart uiteengerukt wordt door pijn, is hoogstens een geestelijke dafalgan. We zijn er misschien een paar uurtjes zoet mee, maar daarna slaat de pijn des te harder toe. De Schaduwdokter pakt het anders aan.

Aanrader

De Schaduwdokter is een man met onorthodoxe ideeën en sommige lezers zullen wellicht even in hun haar krabben als ze lezen wat Adrian Plass hem laat zeggen. U weze gewaarschuwd.

De afwezigheid van zorgvuldig opgebouwde spanning of breed uitgesponnen dieptragische gebeurtenissen blijken geen must om je mee te nemen in het verhaal. Dat is, naar mijn eigen, een grote verdienste van dit boek. Deze (serieuze) roman is dan ook een aanrader van formaat!

Adrian Plass, De Schaduwdokter, (Uitgeverij Plateau, 2018, 200 blz.)

Als je denkt dat God zegt dat het altijd goed met je gaat, heb je misschien iets over het hoofd gezien…

Deze column verscheen op lazarus.nl

Ik ben opgegroeid met de woorden ‘Want alzo lief heeft God de wereld gehad…’ Jij misschien ook. Johannes 3:16 is hét kernvers van het evangelie, hét Bijbelse adagium van de twintigste eeuw. Ontelbare malen gebruikt als basis voor preken, startstudies en avondmaalsvieringen. En nog vaker voorgelezen, gebeden en gebruikt op posters. Het mag een wonder heten dat het vers het nooit geschopt heeft tot opwekkingslied. 

Toegegeven, op een bepaald moment was ik er wel behoorlijk op uitgekeken. Het was als een prachtige worshipsong die week na week gezongen wordt en zijn glans verliest. Voor je het weet sleur je je van couplet naar refrein, via het tweede couplet naar herhalingen van het refrein en dan moet je nog over de bridge. Daarenboven vond ik dat dat eeuwig leven van Johannes 3:16 vaak als een Verweggistan uitgelegd werd, waardoor het hier en nu vooral het karakter kreeg van een lang wachten op de laatste dag.  

Jeremia overwon 

Misschien waren meer mensen het beu geraakt of vroeg de tijdsgeest om een nieuw adagium. In elk geval, Johannes 3:16 is niet meer. There’s a new kid on the blockJeremia 29:11 kwam, zag en lijkt te overwinnen: 

Mijn plan met jullie staat vast – spreekt de HEER. Ik heb jullie geluk voor ogen, niet jullie ongeluk: ik zal je een hoopvolle toekomst geven. 

Het verbaast me niet. Een goddelijk plan dat gekenmerkt wordt door geluk en een hoopvolle toekomst… Er zijn slechtere plannen gesmeed, nietwaar? 

Hoewel ik geloof dat God niet uit is op ons ongeluk en een hopeloze toekomst, stel ik me toch kritische vragen bij de klakkeloze toepassing op ons leven. We vergeten dat Jeremia in dit gedeelte het volk Israël aanspreekt, dat lijdzaam moest toezien hoe hun land en met name Gods tempel verwoest werd. In die context spreekt Jeremia over het concrete plan dat God heeft met Zijn volk. En weet u wat de inhoud van dat plan was? Het volk moest huis en haard verlaten en 70 jaar in een vijandig land leven. Ook jouw idee van een leuk plan?

Eenzijdig idee van geluk 

Dat we de context vergeten, is niet mijn grootste moeite. Het onbehaaglijke gevoel bekruipt me dat we een eenzijdig idee van geluk vooraan zetten in de manier waarop we Jeremia 29:11 gebruiken. Geluk lijkt vooral uitgedrukt te worden in materiële en medische termen en dat terwijl Gods plan voor Jeremia’s tijdgenoten, zoals ik al zei, betekende dat ze hun huis en land moesten verlaten om, na 70 jaar, weer terug te keren. 

Wat zijn de gevolgen op langere termijn zijn als we ons uitstrekken naar een vorm van geluk die betekent dat alles altijd goed met ons gaat? Vergeef me dat ik het zo ruw zeg, maar het is een kwestie van tijd voor dat soort geluk zal ontbreken en er geloofstwijfels ontstaan. Waar is die God met zijn geluksplan nu ik mijn job kwijt ben, nu ik met een burn-out thuis zit, nu ik een dierbare verloren heb, …? 

Geluk = eeuwig leven 

Geluk is meer dan die eenzijdige materiële of medische vorm. Johannes 3:16 licht een tipje van de sluier (wij zijn Jezus’ bruid, nietwaar?) op met de verwijzing naar eeuwig leven. 

Verderop geeft hij er in hoofdstuk 17:3 een mooie definitie aan: ‘Dit is het eeuwig leven dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, die U gezonden hebt.’ 

Dat is mijns inziens geluk: het leven met de eeuwige God, een connectie die in dit leven al begint en nooit zal verdwijnen. Vanuit die connectie, die eenheid met de Ander, worden we opgeroepen tot eenheid met de ander. In de zware periodes van het leven, als ons spreekwoordelijk Jeruzalem verwoest wordt, blijft die connectie met de Ander en, hopelijk ook, met de ander staan. 

Ik wens je een gelukkig eeuwig leven.

Geld & Genade

Reimund Bieringer is professor Nieuwe Testament aan de KU Leuven. In dit boek onderzoekt hij de mogelijkheid tot dialoog tussen geld en genade, tussen economie en theologie. De verschillen zijn gemakkelijk aan te wijzen, maar zijn er ook raakvlakken? Die laatste gedachte lijkt misschien vreemd. En toch. Christenen hebben deel aan, zijn deel van het economisch stelsel en (hun) theologie komt dus in aanraking met economie. En andersom ziet Bieringer zelfs aspecten van religie die nodig zijn voor de economie, zoals vertrouwen of het streven naar een betere toekomst. 

Bieringer werkt zes hoofdstukken uit: taal, wereld- en godsbeelden, religie als fenomeen, christelijk mensbeeld, hermeneutiek en rechtvaardigheid. Ogenschijnlijk hebben deze onderwerpen niet zoveel te maken met economie en toch weet de schrijver interessante invalshoeken te geven. Zo vergelijkt hij in het hoofdstuk over taal de letterlijke taal van de economie met de eerder figuurlijke taal in de theologie. Wanneer de schrijver het christelijk mensbeeld bespreekt, en dat doet op basis van tien dimensies, dan pleit hij ervoor om die dimensies als maatstaf te nemen voor economisch handelen. En als het gaat over rechtvaardigheid (wat een belangrijk element van theologie is), dan begrijpen we allemaal dat economie in de buurt is. De connectie tussen theologie en economie is zo vreemd dus niet. 

Hier en daar was de link met economie toch wat verder te zoeken. Dat was met name het geval in het hoofdstuk over hermeneutiek, hoe wordt de Bijbel gelezen en gebruikt. Daarin werkt Bieringer uit dat de Bijbel niet zomaar tot een instrument of legitimatie van het eigen gedrag gemaakt kan worden. In het verleden is dat al te vaak gebeurd, waardoor de Bijbel misbruikt werd. Gods Woord heeft een bepaalde dynamiek en vanuit die gedacht is er in onze huidige maatschappelijke context nog genoeg mogelijkheid tot toepassing. Zodoende is er wel een link naar de economie, hoewel deze dus wat verder te zoeken is. 

Dit boek is, rekening houdend met het behandelde thema, vlot geschreven. De schrijver kijkt vanuit een katholieke invalshoek en dat is best verrijkend. Ik zou natuurlijk geen protestant zijn als ik hier en daar niet afwijkend zou denken. Hier en daar had ik concrete toepassingen op de Vlaamse situatie wel nuttig gevonden. Niet dat ik die tijdens het lezen miste, maar er achteraf op terugkijkend zou dat wel een meerwaarde betekend hebben.

Dit boek wil ik aanbevelen aan wie graag stevig doordenkt over de connectie tussen christendom (theologie) en onze seculiere maatschappij, waarin de economie een drijvende factor is die zeer veel facetten van het leven beïnvloed. 

Reimund Bieringer, Geld & Genade. Het christelijk geloof in de hedendaagse economische context, (Acco Leuven, 2018, 200 blz.)

Religieuze symbolen verbieden voor meer vrijheid?

Dit artikel verscheen op doorbraak.be.

Mag een volksvertegenwoordiger in een privé-lokaal, waar ook een kerststal staat, een joodse kandelaar aansteken? De ‘kandelaarkwestie’ rond Michael Freilich zwengelde het gesprek over secularisme, neutraliteit en symbolen aan. Ik zoek naar een modus vivendi in het omgaan met symbolen in onze samenleving.

Een neutrale overheid

Secularisme wil zeggen dat de invloed van religie actief teruggedrongen wordt tot de privé-sfeer. In weinig publicaties zie ik voorstanders van secularisme kritisch denken over hoe daarmee de eigen niet-religieuze levensbeschouwing of ideologie verheven wordt tot de maatstaf. Waarom zou, in een open en vrije samenleving, degene met een niet-religieuze levensbeschouwing meer ruimte krijgen dan degene met een religieuze levensbeschouwing? Secularisme zorgt daarmee voor exclusivisme.

Neutraliteit daarentegen zorgt voor inclusiviteit. In een neutrale samenleving is er ruimte voor verschillende levensbeschouwingen en hoeft het niet problematisch te zijn als iemand denkt en handelt vanuit een al dan niet religieuze ideologie.

Een seculiere overheid kan secularisme vooropstellen, maar kiest daarmee de facto voor een bepaalde ideologie. Ze kan ook besluiten om neutraliteit hoog in het vaandel te dragen en ruimte te creëren voor diverse ideologieën. Dat zou ook eerlijk zijn, want bij heel wat politieke beslissingen speelt de levensbeschouwing van politici op de achtergrond mee. Bij Freilich, maar als je kijkt naar de ethische stellingnames van de voorbije maanden, dan zie je ook daar politici acteren vanuit een bepaalde (al dan niet religieuze) levensbeschouwing.

Grenzen

Een neutrale overheid mag natuurlijk grenzen stellen. Een symbool kan namelijk ten goede en ten kwade gebruikt worden. Onder aanvoering van het kruis werden vele gruwelijkheden begaan, hebben duizenden het leven gelaten. Vreselijke, gitzwarte bladzijden in de kerkgeschiedenis. Maar onder aanvoering van datzelfde kruis werden scholen, ziekenhuizen en andere levensreddende initiatieven in het leven geroepen. Wie begrijpt dat het kruis gaat over liefde en genade, begrijpt dat die gitzwarte bladzijden niet thuishoren in het verhaal van de Kerk. Overigens, ook niet-religieuze symbolen kunnen ideologisch zijn en dood en vernieling zaaien. Dat bewijzen de communistische hamer en sikkel en de swastika in Nazi-Duitsland. Vooral die laatste doet nog steeds denken aan de vele miljoenen die tijdens WO II gedood zijn.

Bovenstaande voorbeelden zijn extreem. Meestal ligt het veel lastiger om de grens te bepalen. De kandelaarkwestie is daar een voorbeeld van. Overschrijdt dat de grens van het toelaatbare? En is dan die de kerststal in het lokaal waar Freilich de kaarsen aanstak toelaatbaar? Het hoofddoekenverbod in GO!-scholen is een ander voorbeeld. Heel die kwestie is één grote chaos geworden. Wie weet nog wat er mag of niet? Waar ligt de grens?

Symbolen van (on)vrijheid

In vrijzinnige hoek stelt men een ogenschijnlijk eenvoudige grens. (lees het volledige artikel op Doorbraak) 

Het 5e zegel

Verwachtingsvol. Dat beschrijft het gevoel waarmee ik ‘Het 5e zegel’ begon te lezen. Dit boek verscheen in het Nederlands een jaar na ‘Nummer 49’, deel 1 uit de reeks Zegels van Waarheid

Ik hou van de boeken van Ted Dekker. De cirkelreeks en de trilogie Books of Mortals vond ik schitterend. Dekker weet een sterk scenario op een spannende, licht bevreemdende manier te vertellen én onderhuids te verweven met theologie. Nummer 49 vond ik goed (hoewel de theologie er daar al iets te dik op lag) en dus is het logisch dat ik verwachtingsvol uitkeek naar dit nieuwe boek. 

Helaas heeft het boek me teleurgesteld. Om twee redenen. Ik vond het verhaal wat dun voor een extra boek. In boek 1 wordt heel het verhaal uitgebreid neergezet en vindt Rachelle drie van de vijf zegels die nodig zijn om het Rijk van de Mystici te redden van de ondergang. In dit boek moet ze er nog twee vinden. Ik merkte dat mijn aandacht meer dan eens verslapte tijdens het lezen en meestal gebeurt dat niet bij het lezen van zijn boeken.  

Ten tweede ligt de theologie er nog dikker op dan in het eerste boek. Misschien wel ter compensatie van het dunne verhaal. Ik vind het, voor alle duidelijkheid, prachtig dat er theologie in Dekkers boeken zit, maar hier en daar bekroop me het gevoel dat de schrijver er zoveel mogelijk theologie in heeft willen stoppen. Sommige dialogen zijn korte preken. Het lijkt op een systematische theologie, waarin zowel de leer over Vader, Zoon en Geest als Dekkers visie op soteriologie en eschatologie uit de doeken gedaan wordt. 

Fantasie is alles in de boeken van Ted Dekker. Je moet ze dus niet lezen als een weergave van de werkelijkheid, maar in dit boek stoorde ik me wat aan sommige elementen. Thomas van Hunter die in de ‘gewone wereld’ gestorven was, wordt door Dekker opgevist wanneer hij plots uit een vijvertje tevoorschijn komt om Rachelle te helpen. Fantasie, ja, maar op die manier kan je gemakkelijke verhaallijnen blijven creëren. Aan het einde van het boek legt Dekker ook tussen neus en lippen een link met personages uit zijn Anno Domini-reeks. Dat lijkt me eerder een verkooptruc dan werkelijk een toegevoegde waarde aan het verhaal.

Van al de boeken die Dekker geschreven heeft, vind ik dit de minste. Ik hoop dat zijn volgende boek beter is. 

Ted Dekker, Het 5e zegel, (KokBoekencentrum, 2019, 463 blz.)