Death is a welcomed friend

Gods wegen zijn ondoorgrondelijk en sommige christenen lijken daar nog een ferme schep bovenop te willen doen. Pastor Tony Spell van Life Tabernacle Church in Baton Rouge (Louisiana) blijft zich al weken verzetten tegen de coronamaatregelen in de VS. Ze zijn volgens hem een aanslag op de vrijheid. Hij roept christenen dan ook op om de lockdown naast zich neer te leggen. Death is a welcomed friend, zo zegt hij.

Op 8 April strooide pastor Tony Spell van Life Tabernacle Church in Baton Rouge in een interview (hier te bekijken) met Bijbelteksten. Op de vraag wat hij zou zeggen als één van zijn kerkgangers zou sterven aan het virus antwoordde hij: “They died like free people, fighting for their convictions.” Intussen zijn enkele kerkleden besmet en is ook iemand gestorven, hoewel Spell beweert dat dat niet ten gevolge van corona was.

Central City News

Na vermeende intimidatie van een protesteerder bij zijn kerk (een bus achteruit tot vlak bij de man rijden) werd hij in huisarrest geplaatst. Ook dat kon hem niet deren. Afgelopen zondag preekte hij in zijn kerk en toonde zijn enkelband.

Elders zegt Spell dat hij de maatregelen aan zijn laars lapt, omdat het Gods gebod is om het goede nieuws te verspreiden. Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat hij iets anders aan het verspreiden is…

Heerschappij (Tom Holland)

Het is niet eenvoudig wat Tom Holland gedaan heeft: 2500 jaar geschiedenis vertellen op een aangename manier. Er zijn al veel geschiedkundige werken verschenen die een algemeen overzicht geven, maar die blinken meestal uit in feitenoverzicht. Interessant, maar het is taaie biefstuk. Holland, auteur van historische boeken, is erin geslaagd om zijn biefstuk à point op te dienen. Hij doet dat door in elk hoofdstuk goed gekozen anekdotes te gebruiken als opstap voor de beschrijving van het denken van een bepaalde tijd of voor een beweging in de geschiedenis. Het verveelt niet.

Wie de Griekse, Joodse en kerkgeschiedenis kent, zal weliswaar veel herhaling zien. Vanuit het oogpunt dat je leert door herhaling, is dat natuurlijk niet mis. De verdienste van Tom Holland is dan ook niet dat hij veel nieuwe informatie aanreikt ten opzichte van andere geschiedkundige werken. Zijn verdienste is dat hij probeert een gemakkelijk leesbaar beeld te schetsen met oog voor de twee kanten van een verhaal. Botste Galileo met de Kerk, omdat die ‘anti-wetenschap’ zou geweest zijn? Dat wordt gemakkelijk aangenomen, maar Holland laat zien dat het verhaal veel genuanceerder en subtieler is. En was het de bedoeling van de Verlichtingsdenkers van het eerste uur om te breken met de kerk of het geloof? Holland toont aan dat ‘secularisatie’ of ‘Verlichting’ geen donderslagen bij heldere hemel waren, maar eerder producten van de kerkgeschiedenis en dat Verlichtingsdenkers sterk ingebed waren in het christelijk denken. 

We kunnen overigens gerust stellen dat bovenstaande een sleutelpunt is in het discours van de schrijver. Het grote verhaal van Holland is dat in onze maatschappij, ons denken nog steeds de schaduw van God vereerd wordt (zie Nietzsche). We proberen ons te ontdoen van al wat christelijk is, maar de grotten waar de schaduw aanwezig is, zijn talrijk. Neem nu het humanisme dat beweert dogma-loos te zijn. De rechten van de mens vormen daar het moreel referentiekader. Waarop is de humanistische moraal dus gebaseerd? Op de rede? Nee, zegt Holland, de bron ligt in de geschiedenis, in het christelijke denken. Nietzsche zou het de schaduw van God noemen. 

Enkele puntjes van kritiek moeten me toch van het hart. Tom Holland gaat uit van de bronnentheorie of Wellhausen-hypothese, wanneer hij op p.71-74 verwijst naar de evolutie polytheïsme – monotheïsme in de Pentateuch. De hypothese dat elke religie die evolutie doormaakt is intussen al lang dood en begraven. En wat de vertaling betreft, viel het me op dat de vertaler, waar de Bijbel geciteerd wordt, koos voor de Statenvertaling. Toch wel een gemiste kans. Er zijn nieuwere en beter begrijpbare vertalingen voorhanden.

De anekdotische aanpak én het grote verhaal dat Holland vertelt zorgen voor een aangenaam leesbare tocht door de (kerk)geschiedenis. Ik kan het boek aanbevelen aan wie geïnteresseerd is in een gebalanceerd geschiedkundig werk.

Tom Holland, Heerschappij, (Athenaeum, 2020, 639 blz.)

Operatie propere handen?

Deze mijmering verscheen tijdens de vastentijd op doorbraak.be.

De weg naar Pasen, de vastentijd, stond voor mij, als gelovige, nog nooit zo in het teken van ‘wassen’ als dit jaar. In deze coronatijden wordt ons dagelijks verteld dat we onze handen moeten wassen. Geen kattenwasje, maar een zeer uitgebreide, degelijke wasbeurt. Een uiterlijke wasbeurt. Dat is nodig. We weten intussen (hopelijk) allemaal hoe belangrijk dat is om de opmars van het virus te vertragen.

Vasten: een tijd om te wassen

Naast de uiterlijke wasbeurt is er ook sprake van een innerlijke wasbeurt, om het zo te zeggen. Vanouds is de vastentijd, de 40 dagen voor Pasen, namelijk een periode van inkeer. Dat dit nooit eerder zoveel betekenis voor mij had, zegt wellicht veel over mij en niet zoveel over de vasten. Meestal sta ik wel stil bij het begin van de vasten, maar eenmaal daar voorbij dendert mijn leven gewoon voort, tot aan Pasen. In de voorbije jaren hebben de aanslagen in Brussel (22 maart 2016) en de brand in de Notre-Dame (15 april 2019) me ook wel kort doen stilstaan tijdens de vasten, maar dit jaar is anders. Elke dag opnieuw worden we met de neus op de feiten gedrukt en we weten dat de nasleep hiervan nog vele maanden zal duren.

In oude christelijke doopvonten vinden we regelmatig een gebed van Gregorius van Nyssa, een christelijke bisschop uit de vierde eeuw na Christus en een van de zogenaamde Cappadocische vaders. Onder andere in de Aya Sophia, oorspronkelijk een christelijke kerk (de Hagia Sophia of Heilige Wijsheid) kan je het gebed lezen. Het is een bekend palindroom: Nιψον ἀνομηματα μη μοναν ὀψιν. De vertaling luidt als volgt: ‘Was mijn ongerechtigheden af, niet alleen maar mijn gezicht’. U hoeft niet bang te zijn. Dit is geen preek over zonde, hel en verdoemenis. Het gebed van Gregorius wil ik gebruiken als beeld. Hij zag namelijk de nood aan het wassen van het uiterlijke, maar ook aan het innerlijke.

Innerlijke nood

Het innerlijke. Waar leven we voor? Waar zijn we op langere termijn op gericht? Waar komen al die burn-outs vandaan? Zijn alle gebroken relaties echt niet meer te herstellen? Waarom ligt er zo’n grote druk op jonge gezinnen? Doen we dit onszelf aan of kunnen we hier helemaal niet aan ontsnappen? Vragen waar we te weinig aandacht aan gegeven hebben. Er is veel innerlijke nood in ons land. De wachtlijsten bij de psychologen en psychiaters liegen er niet om. Tot voor een paar weken leken we in een onstopbare mallemolen te zitten. Er was geen tijd om te wassen, proper te maken, te herstellen. Misschien nu wel, nu we stilgezet worden.

Laat me duidelijk zijn. Ik geloof in God, maar niet in de theorie dat Hij deze coronacrisis heeft uitgelokt of dat het een straf zou zijn. De voorbije weken werd zoiets wel eens opgeworpen. Nee. Wat ik wel geloof, is dat situaties in ons leven momenten van inkeer kunnen betekenen. Momenten waarin we niet alleen onze handen of ons gezicht wassen, maar ook ons innerlijk.

In kerkelijke termen is dat vasten en in kalendertermen een lenteschoonmaak in ons binnenste. Ik hoop dat de uitkomst van de coronacrisis niet zal zijn dat we over enkele maanden als vanouds voortdenderen, onszelf opjuttend en afmattend om de economische achterstand in te halen. Ik hoop oprecht dat we hier een en ander uit meenemen. 

Hoopvol

Er wordt vandaag veel aandacht besteed aan het belang van sociale contacten en solidariteit. Psychiater Dirk De Wachter, die veel van de innerlijke noden van mensen te horen krijgt, zal het graag horen. Hij roept al enkele jaren ertoe op dat we onze eilandjes verlaten en tijd maken voor elkaar. Geen ingewikkelde programma’s of duizelingwekkende oplossingen. Gewoon, eenvoudig er zijn voor elkaar. Misschien betekent dit dat we een en ander in ons leven moeten aanpassen. Misschien moeten we met minder tevreden leren zijn. Misschien moeten we keuzes maken voor een minder jachtig bestaan, waarin meer ruimte is voor innerlijk herstel en verbinding met de ander.

Op een bepaalde manier ben ik hoopvol. Niet omdat ik veel tekenen zie van verandering, maar omdat ‘er zijn voor elkaar’ en keuzes maken voor de ander perfect past bij wie de mens is. Mijn geloof in God zegt dat het resoneert met hoe de mens gemaakt is en dat we ergens (soms diep vanbinnen) weten dat een harmonieuze verbinding met de ander meer voldoening geeft dan wat ook.

Deze mijmering verscheen op doorbraak.be

Wetsvoorstel abortus bedreigt gelijkheid

Dit artikel verscheen op doorbraak.be

Vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid. De drieling die door de verlichting gebaard werd, wordt in ons land door een aantal politieke partijen gretig in de mond genomen. Hoewel, broederlijkheid is het zieke broertje en wordt vaak vergeten. Vrijheid en gelijkheid daarentegen zijn de vlaggen die overal geplant worden en zelfbeschikkingsrecht als uitloper daarvan wordt hoog in het vaandel gedragen.

De abortuswet

Dat zien we met name in het wetsvoorstel rond abortus dat momenteel voorligt. Het advies van de Raad van State op vrijdag 28 februari is door Covid-19, waarin ironisch genoeg de bezorgdheid om de gezondheid en het leven vooraan staat, naar de achtergrond gedrukt. Het advies komt erop neer dat de RvS het wetsvoorstel weinig in de weg legt. Abortus tot achttien weken. Check. Ingekorte bedenktijd tot 48 uur (hierover schreef Silke Brants van Fara vzw een interessant opiniestuk in De Standaard). Check. Abortus wordt uit de strafwet gehaald en verwordt tot een medische ingreep als een andere. Check.

De Raad van State heeft het wel moeilijk met één kwestie: het strafbaar maken van het ‘fysiek of op enigerlei andere wijze’ proberen te weerhouden van abortus. Stel dat je de partner bent van een vrouw die abortus wil, maar wel een duidelijke kinderwens hebt… Mag je dan nog op haar inpraten om haar van gedacht te doen veranderen? Wat mag wel? Wat niet? Het wetsvoorstel biedt daar geen afdoend antwoord op en de vragen van parlementsleden aan de indieners van het wetsvoorstel bleven eind december 2019 onbeantwoord. Er wordt een grijze zone gecreëerd, waardoor het heel tricky wordt als een partner zich tegen de abortus wil verzetten. Daar heeft de Raad van State, terecht, vragen bij.

Vrijheid en gelijkheid?

Ik wil niet schrijven over de juridische kant van de zaak, maar ze tegen het licht van vrijheid en gelijkheid houden. Ten diepste komt de wet erop neer dat het vergroten van vrijheid en zelfbeschikkingsrecht van de ene (de zwangere vrouw) de inperking van vrijheid en zelfbeschikkingsrecht van de andere (de partner) betekent. Je kan je de vraag stellen of de partner nog wel gelijk is aan de zwangere vrouw. Inzake de positie van de partner gebeurt er zelfs iets pervers in het huidige wetsvoorstel: je kan je partner niet meer ongestraft weerhouden van, maar haar wel ongestraft dwingen tot abortus. Hoezo, vrijheid en gelijkheid?

Dat vrijheid en gelijkheid niet absoluut kunnen zijn, is niet enkel in de abortuskwestie het geval. Roger Scruton (waar ik het niet onverdeeld mee eens ben) duidt in het Het nut van pessimisme op de onmogelijkheid van het samenvoegen van vrijheid en gelijkheid. In een maatschappij die vrijheid wil creëren op elk vlak, zal ongelijkheid de kop opsteken. Als je de burgers van een maatschappij volledige vrijheid geeft, zullen sommigen (of velen?) keuzes maken die voor ongelijkheid zorgen.

Dat zien we nu al, ondanks alle wetgeving, gebeuren in criminele milieus waar mensen uitgebuit, verkocht of tot prostitutie gedwongen worden. En vice versa, wanneer gelijkheid nagestreefd wordt, zal onvrijheid de kop opsteken. In een maatschappij waarin niemand omwille van zijn geslacht slechter behandeld mag worden, zal men niet meer vrij zijn om dat wel te doen. Niet dat ik vind dat men omwille van zijn of haar geslacht slechter behandeld moet worden.

Het moet duidelijk zijn dat de inperking van vrijheden een normale gang van zaken is. Een partij die focust op de vrijheid en het zelfbeschikkingsrecht van één groep zal, als een soort collateral damage, de vrijheid en het zelfbeschikkingsrecht van een andere groep beperken. Het moet duidelijk zijn dat de inperking van vrijheden een normale gang van zaken is. Dat wordt maar zelden gezien, laat staan verwoord, door de partijen die op de barricades van het zelfbeschikkingsrecht staan. Hoewel ze vrijheid en gelijkheid voor ogen hebben, tekenen zij een smal (ethisch) pad uit, dat iedereen moet bewandelen.

Lees verder

Zondig dapper

Dietrich Bonhoeffer was een opmerkelijk theoloog. Actief voor en tijdens de tweede wereldoorlog. En dat niet zomaar als stoffig academicus, maar als lid van de verzetsbeweging tegen Hitler, wat hem zijn leven gekost heeft. Zijn denken werd sterk bepaald door de woelige periode in aanloop naar en tijdens WO II. Meer nog, hij heeft aan het einde van zijn leven gezien waar het christendom naar op weg was en geprobeerd daarop te anticiperen. Zijn gedachten zijn, wat mij betreft, nog steeds actueel.

In dit boekje toont Edward van ’t Slot dat Bonhoeffers ideeën op ethisch, persoonlijk en politiek vlak inderdaad relevant zijn voor de dag van vandaag. Genade is niet goedkoop, niet gemakkelijk. Het kost veel. Tachtig jaar geleden hamerde de Duitse theoloog er al op dat de kerk zich niet mocht opsluiten in zichzelf. Christen zijn betekent aanwezig zijn in je omgeving. 

Bonhoeffer stuurde aan op een areligieus christendom. Met religieus bedoelde hij ‘de houding die mensen altijd maar wil betrappen op iets slechts, iets zondigs, of tenminste iets twijfelachtigs’ (p.76). Hij voorzag een mondige wereld en dat is precies waar wij vandaag in leven. In deze wereld moet het christendom aanwezig zijn, zonder muren, zonder denken in termen van ‘binnen’ en ‘buiten’, niet al te vroom en niet al te rechtvaardig. 

De theoloog maakte zich ook sterk dat christenen zich niet moesten verenigen in allerlei groeperingen en organisaties, maar moesten meewerken met anderen. In dat kader mag je ook Bonhoeffers politieke betrokkenheid plaatsen. Die was vanzelfsprekend voor hem. Van ’t Slot toont daarbij aan dat de theoloog niet zo gemakkelijk te claimen door een ‘isme’. 

Van ’t Slot gidst je in dit boekje door bovenstaande thema’s. Hij geeft relevante achtergrond uit Bonhoeffers leven, citeert hier en daar korte stukjes uit zijn brieven en koppelt doelbewust aan bij onze situatie vandaag. Vooral dat laatste is een meerwaarde. Zondig dapper is niet zomaar een vrijblijvende bloemlezing uit Bonhoeffers oeuvre. Geheel in lijn met de boodschap van de theoloog zelf is het een oproep om aan de slag te gaan of alleszins om op een andere manier te kijken naar hoe je als christen in je omgeving staat. 

Een aanrader!

Edward van ’t Slot, Zondig dapper, (KokBoekencentrum, 2019, 127 blz.)

Naar een recht op vrije beschimping?

Dit artikel werd gepubliceerd op doorbraak.be

Stel je voor dat je op Instagram de avances van een jonge moslim afwijst en daaropvolgend te horen krijgt dat je islamofoob en racistisch bent. Het overkwam Mila, een 16-jarige Française. Haar reactie was niet van de poes: iets met een vinger in het achterste van de god van de islam. Waarna ze bedolven werd onder haatboodschappen en doodsbedreigingen.

Een vinger in het achterste

Dat was voor Ann De Craemer, columniste bij De Morgen, het signaal om op 4 februari haar vinger in de kont van alle goden ter wereld te steken. Ik heb geprobeerd me er een voorstelling van te maken, maar botste op de grenzen van mijn fantasie. De Craemer voegde er overigens nog aan toe dat zo’n opmerking haar niet onrespectvol maakt. In mijn ogen was dat een geslaagde poging om het concept respect helemaal uit te hollen. Ook Maarten Boudry had trouwens nog een vinger vrij om in het gaatje te steken. Dat een 16-jarige zo’n boude uitspraak doet, kan ik begrijpen, maar van Boudry, De Craemer en anderen mag je toch verwachten dat zij beter kunnen.

Vrijheid van meningsuiting

Het gaat in deze kwestie over vrijheid van meningsuiting. Eveneens op 4 februari legde Jurgen Slembrouck op vrtnws.be enkele terechte vragen neer: ‘Hoe ruim is de vrijheid van meningsuiting? Reikt die vrijheid zo ver dat ze ook kritisch mag zijn voor religieuze overtuigingen? Zijn er stilistische criteria waaraan die kritiek moet beantwoorden om rechtmatig te zijn? Anders gesteld, is slechte smaak een misdrijf?’

Ja, natuurlijk mag er kritiek zijn op religieuze overtuigingen. Wie mij kent, weet dat ik (a) gelovig ben en (b) kritisch sta ten aanzien van heel wat religieuze zaken. Daarnaast mag er, in een verlichte samenleving, ook kritiek zijn op niet-religieuze overtuigingen. Tenminste, dat hoop ik toch…

Nee, juridisch gezien zijn er geen stilistische criteria waaraan die kritiek moet beantwoorden. Mila, die zich overigens al verontschuldigde voor haar grof taalgebruik, zal er niet voor gestraft worden en Ann De Craemer evenmin. Hoewel ik De Craemers opmerking wel degelijk onrespectvol vond, zou hetgeen ze zei ook niet strafbaar moeten worden. Aan het uitdragen van haatboodschappen of het uiten van doodsbedreigingen daarentegen moet paal en perk gesteld blijven. Daarnaast dient iemand die ten prooi valt aan zulks beschermd te worden.

If they go low…

Evelyn Beatrice Hall schreef in The Friends of Voltaire  (1906) een zin die, onterecht, aan Voltaire toegeschreven wordt: ‘Ik ben het niet eens met wat je zegt, maar ik zal het recht om het te zeggen tot de dood toe verdedigen’. Het mag duidelijk zijn dat er mijns inziens niet getornd hoeft te worden aan het recht op vrije meningsuiting en dat we dat mogen verdedigen. Dat neemt echter niet weg dat we onszelf de vraag kunnen, of moeten, stellen hoe we dat recht gebruiken.

In 2016 sprak Michelle Obama legendarische woorden: ‘If they go low, we go high.’ Die uitspraak werd naar mijn aanvoelen de voorbije dagen naar de prullenbak verwezen.

Lees het volledige artikel op doorbraak.be

De Schaduwdokter

Velen leerden Adrian Plass kennen door zijn knotsgekke gewijde dagboeken. Briljante boeken voor wie niet bang is van een fikse dosis christelijke humor of zelfspot en voor wie in een spiegel durft te kijken. 

Anders en toch ook niet

De Schaduwdokter is anders en toch ook niet. Anders, omdat het een ernstige roman is, eerder aan de melancholische kant. Het heeft iets van Sherlock Holmes en diens onafscheidelijke dr. Watson. Alleen moeten in dit boek geen moorden of ontvoeringen opgelost worden, maar de pijn of het verdriet dat sommigen doormaken. De Schaduwdokter (ofwel Sherlock Holmes) heeft een opmerkelijke gave om mensen te doorgronden, maar blijkt ook zelf met een rugzak rond te lopen. De ik-persoon in de roman, Jack Merton (ofwel dr. Watson), zal op zijn beurt bepalend worden voor de Schaduwdokter. 

Een spiegel

De roman is toch ook niet anders dan Plass’ andere boeken. De schrijver schopt al eens graag tegen vastgeroeste geloofsideeën of gewoonten in de kerk. Hij durft het opgehemelde beeld dat we ervan hebben aan diggelen te gooien. Hij schrikt er niet voor terug de olifant in de kamer te benoemen. Zo fungeert ook deze roman als een spiegel.

Onder de oppervlakte schreeuwt Plass dat er ruimte moet zijn voor gebrokenheid, voor moeite, voor lastige vragen, voor onbegrip. Een opgepoetste kerkdienst of afgeborsteld pastoraal gesprek waarbij men ons probeert te overtuigen dat we blij moeten zijn, terwijl ons hart uiteengerukt wordt door pijn, is hoogstens een geestelijke dafalgan. We zijn er misschien een paar uurtjes zoet mee, maar daarna slaat de pijn des te harder toe. De Schaduwdokter pakt het anders aan.

Aanrader

De Schaduwdokter is een man met onorthodoxe ideeën en sommige lezers zullen wellicht even in hun haar krabben als ze lezen wat Adrian Plass hem laat zeggen. U weze gewaarschuwd.

De afwezigheid van zorgvuldig opgebouwde spanning of breed uitgesponnen dieptragische gebeurtenissen blijken geen must om je mee te nemen in het verhaal. Dat is, naar mijn eigen, een grote verdienste van dit boek. Deze (serieuze) roman is dan ook een aanrader van formaat!

Adrian Plass, De Schaduwdokter, (Uitgeverij Plateau, 2018, 200 blz.)

Als je denkt dat God zegt dat het altijd goed met je gaat, heb je misschien iets over het hoofd gezien…

Deze column verscheen op lazarus.nl

Ik ben opgegroeid met de woorden ‘Want alzo lief heeft God de wereld gehad…’ Jij misschien ook. Johannes 3:16 is hét kernvers van het evangelie, hét Bijbelse adagium van de twintigste eeuw. Ontelbare malen gebruikt als basis voor preken, startstudies en avondmaalsvieringen. En nog vaker voorgelezen, gebeden en gebruikt op posters. Het mag een wonder heten dat het vers het nooit geschopt heeft tot opwekkingslied. 

Toegegeven, op een bepaald moment was ik er wel behoorlijk op uitgekeken. Het was als een prachtige worshipsong die week na week gezongen wordt en zijn glans verliest. Voor je het weet sleur je je van couplet naar refrein, via het tweede couplet naar herhalingen van het refrein en dan moet je nog over de bridge. Daarenboven vond ik dat dat eeuwig leven van Johannes 3:16 vaak als een Verweggistan uitgelegd werd, waardoor het hier en nu vooral het karakter kreeg van een lang wachten op de laatste dag.  

Jeremia overwon 

Misschien waren meer mensen het beu geraakt of vroeg de tijdsgeest om een nieuw adagium. In elk geval, Johannes 3:16 is niet meer. There’s a new kid on the blockJeremia 29:11 kwam, zag en lijkt te overwinnen: 

Mijn plan met jullie staat vast – spreekt de HEER. Ik heb jullie geluk voor ogen, niet jullie ongeluk: ik zal je een hoopvolle toekomst geven. 

Het verbaast me niet. Een goddelijk plan dat gekenmerkt wordt door geluk en een hoopvolle toekomst… Er zijn slechtere plannen gesmeed, nietwaar? 

Hoewel ik geloof dat God niet uit is op ons ongeluk en een hopeloze toekomst, stel ik me toch kritische vragen bij de klakkeloze toepassing op ons leven. We vergeten dat Jeremia in dit gedeelte het volk Israël aanspreekt, dat lijdzaam moest toezien hoe hun land en met name Gods tempel verwoest werd. In die context spreekt Jeremia over het concrete plan dat God heeft met Zijn volk. En weet u wat de inhoud van dat plan was? Het volk moest huis en haard verlaten en 70 jaar in een vijandig land leven. Ook jouw idee van een leuk plan?

Eenzijdig idee van geluk 

Dat we de context vergeten, is niet mijn grootste moeite. Het onbehaaglijke gevoel bekruipt me dat we een eenzijdig idee van geluk vooraan zetten in de manier waarop we Jeremia 29:11 gebruiken. Geluk lijkt vooral uitgedrukt te worden in materiële en medische termen en dat terwijl Gods plan voor Jeremia’s tijdgenoten, zoals ik al zei, betekende dat ze hun huis en land moesten verlaten om, na 70 jaar, weer terug te keren. 

Wat zijn de gevolgen op langere termijn zijn als we ons uitstrekken naar een vorm van geluk die betekent dat alles altijd goed met ons gaat? Vergeef me dat ik het zo ruw zeg, maar het is een kwestie van tijd voor dat soort geluk zal ontbreken en er geloofstwijfels ontstaan. Waar is die God met zijn geluksplan nu ik mijn job kwijt ben, nu ik met een burn-out thuis zit, nu ik een dierbare verloren heb, …? 

Geluk = eeuwig leven 

Geluk is meer dan die eenzijdige materiële of medische vorm. Johannes 3:16 licht een tipje van de sluier (wij zijn Jezus’ bruid, nietwaar?) op met de verwijzing naar eeuwig leven. 

Verderop geeft hij er in hoofdstuk 17:3 een mooie definitie aan: ‘Dit is het eeuwig leven dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, die U gezonden hebt.’ 

Dat is mijns inziens geluk: het leven met de eeuwige God, een connectie die in dit leven al begint en nooit zal verdwijnen. Vanuit die connectie, die eenheid met de Ander, worden we opgeroepen tot eenheid met de ander. In de zware periodes van het leven, als ons spreekwoordelijk Jeruzalem verwoest wordt, blijft die connectie met de Ander en, hopelijk ook, met de ander staan. 

Ik wens je een gelukkig eeuwig leven.

Geld & Genade

Reimund Bieringer is professor Nieuwe Testament aan de KU Leuven. In dit boek onderzoekt hij de mogelijkheid tot dialoog tussen geld en genade, tussen economie en theologie. De verschillen zijn gemakkelijk aan te wijzen, maar zijn er ook raakvlakken? Die laatste gedachte lijkt misschien vreemd. En toch. Christenen hebben deel aan, zijn deel van het economisch stelsel en (hun) theologie komt dus in aanraking met economie. En andersom ziet Bieringer zelfs aspecten van religie die nodig zijn voor de economie, zoals vertrouwen of het streven naar een betere toekomst. 

Bieringer werkt zes hoofdstukken uit: taal, wereld- en godsbeelden, religie als fenomeen, christelijk mensbeeld, hermeneutiek en rechtvaardigheid. Ogenschijnlijk hebben deze onderwerpen niet zoveel te maken met economie en toch weet de schrijver interessante invalshoeken te geven. Zo vergelijkt hij in het hoofdstuk over taal de letterlijke taal van de economie met de eerder figuurlijke taal in de theologie. Wanneer de schrijver het christelijk mensbeeld bespreekt, en dat doet op basis van tien dimensies, dan pleit hij ervoor om die dimensies als maatstaf te nemen voor economisch handelen. En als het gaat over rechtvaardigheid (wat een belangrijk element van theologie is), dan begrijpen we allemaal dat economie in de buurt is. De connectie tussen theologie en economie is zo vreemd dus niet. 

Hier en daar was de link met economie toch wat verder te zoeken. Dat was met name het geval in het hoofdstuk over hermeneutiek, hoe wordt de Bijbel gelezen en gebruikt. Daarin werkt Bieringer uit dat de Bijbel niet zomaar tot een instrument of legitimatie van het eigen gedrag gemaakt kan worden. In het verleden is dat al te vaak gebeurd, waardoor de Bijbel misbruikt werd. Gods Woord heeft een bepaalde dynamiek en vanuit die gedacht is er in onze huidige maatschappelijke context nog genoeg mogelijkheid tot toepassing. Zodoende is er wel een link naar de economie, hoewel deze dus wat verder te zoeken is. 

Dit boek is, rekening houdend met het behandelde thema, vlot geschreven. De schrijver kijkt vanuit een katholieke invalshoek en dat is best verrijkend. Ik zou natuurlijk geen protestant zijn als ik hier en daar niet afwijkend zou denken. Hier en daar had ik concrete toepassingen op de Vlaamse situatie wel nuttig gevonden. Niet dat ik die tijdens het lezen miste, maar er achteraf op terugkijkend zou dat wel een meerwaarde betekend hebben.

Dit boek wil ik aanbevelen aan wie graag stevig doordenkt over de connectie tussen christendom (theologie) en onze seculiere maatschappij, waarin de economie een drijvende factor is die zeer veel facetten van het leven beïnvloed. 

Reimund Bieringer, Geld & Genade. Het christelijk geloof in de hedendaagse economische context, (Acco Leuven, 2018, 200 blz.)

Religieuze symbolen verbieden voor meer vrijheid?

Dit artikel verscheen op doorbraak.be.

Mag een volksvertegenwoordiger in een privé-lokaal, waar ook een kerststal staat, een joodse kandelaar aansteken? De ‘kandelaarkwestie’ rond Michael Freilich zwengelde het gesprek over secularisme, neutraliteit en symbolen aan. Ik zoek naar een modus vivendi in het omgaan met symbolen in onze samenleving.

Een neutrale overheid

Secularisme wil zeggen dat de invloed van religie actief teruggedrongen wordt tot de privé-sfeer. In weinig publicaties zie ik voorstanders van secularisme kritisch denken over hoe daarmee de eigen niet-religieuze levensbeschouwing of ideologie verheven wordt tot de maatstaf. Waarom zou, in een open en vrije samenleving, degene met een niet-religieuze levensbeschouwing meer ruimte krijgen dan degene met een religieuze levensbeschouwing? Secularisme zorgt daarmee voor exclusivisme.

Neutraliteit daarentegen zorgt voor inclusiviteit. In een neutrale samenleving is er ruimte voor verschillende levensbeschouwingen en hoeft het niet problematisch te zijn als iemand denkt en handelt vanuit een al dan niet religieuze ideologie.

Een seculiere overheid kan secularisme vooropstellen, maar kiest daarmee de facto voor een bepaalde ideologie. Ze kan ook besluiten om neutraliteit hoog in het vaandel te dragen en ruimte te creëren voor diverse ideologieën. Dat zou ook eerlijk zijn, want bij heel wat politieke beslissingen speelt de levensbeschouwing van politici op de achtergrond mee. Bij Freilich, maar als je kijkt naar de ethische stellingnames van de voorbije maanden, dan zie je ook daar politici acteren vanuit een bepaalde (al dan niet religieuze) levensbeschouwing.

Grenzen

Een neutrale overheid mag natuurlijk grenzen stellen. Een symbool kan namelijk ten goede en ten kwade gebruikt worden. Onder aanvoering van het kruis werden vele gruwelijkheden begaan, hebben duizenden het leven gelaten. Vreselijke, gitzwarte bladzijden in de kerkgeschiedenis. Maar onder aanvoering van datzelfde kruis werden scholen, ziekenhuizen en andere levensreddende initiatieven in het leven geroepen. Wie begrijpt dat het kruis gaat over liefde en genade, begrijpt dat die gitzwarte bladzijden niet thuishoren in het verhaal van de Kerk. Overigens, ook niet-religieuze symbolen kunnen ideologisch zijn en dood en vernieling zaaien. Dat bewijzen de communistische hamer en sikkel en de swastika in Nazi-Duitsland. Vooral die laatste doet nog steeds denken aan de vele miljoenen die tijdens WO II gedood zijn.

Bovenstaande voorbeelden zijn extreem. Meestal ligt het veel lastiger om de grens te bepalen. De kandelaarkwestie is daar een voorbeeld van. Overschrijdt dat de grens van het toelaatbare? En is dan die de kerststal in het lokaal waar Freilich de kaarsen aanstak toelaatbaar? Het hoofddoekenverbod in GO!-scholen is een ander voorbeeld. Heel die kwestie is één grote chaos geworden. Wie weet nog wat er mag of niet? Waar ligt de grens?

Symbolen van (on)vrijheid

In vrijzinnige hoek stelt men een ogenschijnlijk eenvoudige grens. (lees het volledige artikel op Doorbraak) 

Het 5e zegel

Verwachtingsvol. Dat beschrijft het gevoel waarmee ik ‘Het 5e zegel’ begon te lezen. Dit boek verscheen in het Nederlands een jaar na ‘Nummer 49’, deel 1 uit de reeks Zegels van Waarheid

Ik hou van de boeken van Ted Dekker. De cirkelreeks en de trilogie Books of Mortals vond ik schitterend. Dekker weet een sterk scenario op een spannende, licht bevreemdende manier te vertellen én onderhuids te verweven met theologie. Nummer 49 vond ik goed (hoewel de theologie er daar al iets te dik op lag) en dus is het logisch dat ik verwachtingsvol uitkeek naar dit nieuwe boek. 

Helaas heeft het boek me teleurgesteld. Om twee redenen. Ik vond het verhaal wat dun voor een extra boek. In boek 1 wordt heel het verhaal uitgebreid neergezet en vindt Rachelle drie van de vijf zegels die nodig zijn om het Rijk van de Mystici te redden van de ondergang. In dit boek moet ze er nog twee vinden. Ik merkte dat mijn aandacht meer dan eens verslapte tijdens het lezen en meestal gebeurt dat niet bij het lezen van zijn boeken.  

Ten tweede ligt de theologie er nog dikker op dan in het eerste boek. Misschien wel ter compensatie van het dunne verhaal. Ik vind het, voor alle duidelijkheid, prachtig dat er theologie in Dekkers boeken zit, maar hier en daar bekroop me het gevoel dat de schrijver er zoveel mogelijk theologie in heeft willen stoppen. Sommige dialogen zijn korte preken. Het lijkt op een systematische theologie, waarin zowel de leer over Vader, Zoon en Geest als Dekkers visie op soteriologie en eschatologie uit de doeken gedaan wordt. 

Fantasie is alles in de boeken van Ted Dekker. Je moet ze dus niet lezen als een weergave van de werkelijkheid, maar in dit boek stoorde ik me wat aan sommige elementen. Thomas van Hunter die in de ‘gewone wereld’ gestorven was, wordt door Dekker opgevist wanneer hij plots uit een vijvertje tevoorschijn komt om Rachelle te helpen. Fantasie, ja, maar op die manier kan je gemakkelijke verhaallijnen blijven creëren. Aan het einde van het boek legt Dekker ook tussen neus en lippen een link met personages uit zijn Anno Domini-reeks. Dat lijkt me eerder een verkooptruc dan werkelijk een toegevoegde waarde aan het verhaal.

Van al de boeken die Dekker geschreven heeft, vind ik dit de minste. Ik hoop dat zijn volgende boek beter is. 

Ted Dekker, Het 5e zegel, (KokBoekencentrum, 2019, 463 blz.)

Migratie: bruggenbouwer m/v gezocht

Onderstaand artikel verscheen op Knack.be en Doorbraak.be

Wie er zich vandaag aan waagt iets positiefs te schrijven over migratie, wordt al snel bestempeld als een linkse naïeveling die de grenzen wagenwijd wil openzetten. Als u weet dat ik voorzitter ben van een vzw die werkt rond huisvesting en integratie van erkende vluchtelingen, is de associatie wellicht helemaal gemaakt. 

Niet zo rechts of links

In feite ben ik zo links nog niet. Het openzetten van de grenzen is misschien wel een nobele gedachte, maar wie heeft baat bij (il)legale massa-immigratie? Het verhaal van veel migranten die hier toegekomen zijn, is er een van verloren waardigheid. Hoe voelt een dokter zich die hier met het gezin in een studiootje van 4 op 4 terechtkomt en geen werk heeft? We slagen er nu al niet om mensen waardig op te vangen. Er is dus veel voor te zeggen om mensen op te vangen in de regio waar ze vandaan komen en zo snel mogelijk te laten terugkeren naar hun heimat. Dat is trouwens vandaag veelal de praktijk. De meesten van de wereldwijd 70.000.000 vluchtelingen blijven in hun regio; vaak in mensonterende omstandigheden. Op die plaatsen materieel en financieel aanwezig zijn, is dus zo dwaas nog niet. ADVERTENTIE

De impact van migratie

De voorbije decennia zijn heel wat migranten in België neergestreken. Het Vlaams Belang trok naar de verkiezingen met ophefmakende cijfers: 500.000 immigranten tijdens de voorbije 5 jaar. Handenvol geld kostte dat ons! Er werd ons niet verteld dat meer dan de helft van dat half miljoen EU-burgers waren. En ook niet dat de helft alweer uit België vertrokken was en dat een deel van de blijvers aan het werk was en bijdroeg aan de maatschappij.

We hebben iemand nodig die een humane houding combineert met besef dat migratie ook uitdagingen met zich meebrengt.

Natuurlijk heeft migratie een impact op onze samenleving en die is niet geheel positief. ‘België is het slechtst presterende land van de hele OESO op het vlak van economische participatie van migranten van buiten de EU. Dat is maatschappelijk en economisch niet houdbaar.’ Het procentueel aantal migranten in steden als Brussel en Antwerpen ligt veel hoger dan in de groene stadsranden en dorpen. Linkse partijen sluiten te gemakkelijk de ogen voor de ongezonde combinatie van een hoog procentueel aantal migranten met éénzelfde achtergrond en lage economische participatie. Ik heb zelf jarenlang in Antwerpen gewoond en er zijn buurten waar je je als blanke Vlaming in een ander land waant. Ik kan daarom begrijpen dat een deel van de bevolking meegaat in het verhaal dat ‘ze’ onze huizen, jobs en sociale zekerheid afpakken, maar doen ‘ze’ dat ook? De sociale zekerheid is een interessant voorbeeld. Er wordt 800 miljoen euro per jaar uitgegeven aan de opvang van asielzoekers en de ondersteuning van erkende vluchtelingen. Dat is een groot bedrag, maar het is slechts 0,9 procent van de uitgaven van de sociale zekerheid. De impact op de sociale zekerheid is dus beperkt, maar er moet gewerkt worden aan de tewerkstellingsgraad in de grote steden. We mogen de ogen daar niet voor sluiten.

Dat links en rechts zo verdeeld zijn over het thema migratie, zit in de politieke recuperatie.

Als het gaat over migratie is er ontegensprekelijk angst voor de impact van de islam. Ook hier is het verhaal van de grote steden belangrijk. Wanneer je op vrijdagmiddag voorbij een moskee in Antwerpen of Brussel wandelt, dan lijkt het wel alsof heel de straat moslim is. Een week geleden (op 11/12) tweette Geert Wilders (PVV, Nederland): ‘We hebben geen klimaatprobleem maar een immigratie- en islamprobleem. En wat hebben we aan minder CO2 als onze kinderen later door de islamisering en de open grenzen de sharia moeten naleven?’ Een angstzaaiende tweet, maar in Nederland zijn er slechts zo’n 6% moslims en lang niet allemaal radicaal. Zou zo’n kleine groep de sharia opleggen? Het is een gegeven in Europa en de VS dat burgers het aantal moslims in hun land flink overschatten. Begin 2018 stond er in De Standaard te lezen dat de gemiddelde Belg schat dat er zo’n 22% moslims leven in ons land, terwijl dat volgens cijfers van 2016 maar 7,6% was . Dat cijfer ligt vandaag wellicht een beetje hoger. Niet zoveel dat we angst moeten hebben dat ‘ze’ het hier gaan overnemen, maar ik begrijp wel dat de perceptie in de grote steden soms anders is. 

Bruggenbouwer m/v

Samuel Lee, de nieuwe Nederlandse theoloog des vaderlands en zelf iemand met een migratieachtergrond, vertelde in De Ongelooflijke Podcast: ‘Verwacht niet van een bruggenbouwer dat hij één kant kiest.’ In het kader van migratie kunnen we zo iemand wel gebruiken. 

De softe linkse ziet toch ook wel in dat werkloosheid en gettovorming in de grote steden een ideale voedingsbodem is voor sociale onrust en criminaliteit? Het heeft geen zin om die problemen weg te wuiven als onbeduidend. En de harde rechtse kent toch het verlangen naar vrede, naar een rustige omgeving, naar een warm bed? Dat is hetgeen waar een migrant naar op zoek is (de geradicaliseerde uitzonderingen daargelaten). Waarom kan dat niet gewoon erkend worden? Dat links en rechts zo verdeeld zijn over het thema migratie, zit in de politieke recuperatie. De ene groep ziet migranten als kiespubliek en de andere ziet hun vertrek als middel om kiespubliek te trekken. De ene verzwijgt wat de andere bewijst en vice versa. Iedereen en niemand heeft gelijk. Op die manier komen we nooit tot een volwassen houding tegenover migratie.

We hebben nood aan iemand die een humane houding tegenover migranten combineert met het besef dat migratie ook moeilijke uitdagingen met zich meebrengt. Zonder alles te bedekken met de mantel der liefde, maar eveneens zonder bangmakerij of gegoochel met cijfers. 

Waar is die bruggenbouwer die niet één kant kiest?

Bron: knack.be ; doorbraak.be

Sorry Heer

Rikkert Zuiderveld maakte in 1967 een lied. Over oorlog. En dood. En dat het niet de bedoeling is. Nog steeds actueel. https://open.spotify.com/track/24tZ4hoDKTBeiIxNZkmvIv

Goedemorgen, Heer.
Nu ik dan te vroeg ben dood gegaan
en mij bevindt onder uw ingekomen stukken,
hoop ik zielsveel dat u het mij niet euvel duidt
dat ik stuk ben ingekomen op m’n krukken.
Ik zie er inderdaad nogal gesneuveld uit

Sorry, Heer.
U gaf mij voeten om te lopen,
maar de mensen maken laarzen en marcheren.
U gaf mij handen want gebaren brengen liefde bij,
maar de mensen maken handen tot geweren
en de kogels van hun handen doorkliefden mij.

Voelt u, Heer.
U gaf mij lippen om te kussen,
maar verraders misbruiken ze, dat merkte u.
U gaf een mond, want anders bleef de liefde woordeloos.
Daarmee orakelde de preker in z’n kerktenue,
maar hij zweeg toen een soldaat de weg tot moorden koos.

Ziet u, Heer.
U gaf mij ogen om te kijken
Maar ik zag gemene blikken en ze schoten vuur
U gaf een huid waardoor ik langzaam ademhalen moest
Maar m’n vader zei: “M’n jongen, verkoop ‘m duur”
Wist ik veel dat ik met m’n leven betalen moest

Zo gaat dat Heer
U gaf mij een hart om te voelen
dat ’t niet gaf of iemand zwart was of lang haar had,
maar ’t was een hard gelach toen ’t plotseling stopte, Heer.
Net toen ik dacht hoe mooi de wereld in mekaar zat.
Dus vraag ik mij nu af of ’t wel klopte, Heer.

Iedereen mag zijn zegje doen, ook bisschoppen

Onderstaand opiniestuk verscheen in De Standaard (18/11/2019):

Sara De Mulder laat zich negatief uit over een persbericht van de bisschoppen, waarin ze hun bezorgdheid uiten over de uitbreiding van de abortuswet (DS 15 november). Ze noemt het ergerlijk dat de bisschoppen ‘uit het hiaat in hun kennis en levenservaring toch steeds weer nieuwe stigmatiserende visies en meningen kunnen puren en deze schaamteloos de wereld insturen’. Ik heb het persbericht gelezen, maar wat er stigmatiserend aan is, heb ik niet ontdekt. Wel proef ik de bezorgdheid dat er te snel gehandeld wordt, een bezorgdheid die gedeeld wordt door politici als Valerie Van Peel (N-VA) en Els Van Hoof (CD&V), maar ook door de filosoof Ignaas Devisch.

Dat de mening van bisschoppen voor velen irrelevant is, kan ik wel begrijpen. We leven niet meer in een christelijk land en de macht van de kerk is al lang niet meer allesbepalend. En dat laatste hoeft niet terug te keren. Mensen hoeven heus niet te applaudisseren bij zo’n persbericht. Dat is ook niet wat de bisschoppen vragen. Ze geven hun mening, en die is te nemen of te laten.

Ik kan maar weinig begrip opbrengen voor de conclusie van De Mulder: ‘Dat mannen die celibatair leven en geen enkele voeling hebben met ouderlijke verantwoordelijkheden hun zegje willen doen, is anno 2019 een brug te ver.’ Die zin is problematisch, vooral omdat hij raakt aan de vrijheid van meningsuiting. In de grondwet staat dat iemand, een bisschop, De Mulder of ikzelf, op elk gebied zijn mening mag uiten. Het is glashelder dat er grenzen zijn aan die vrije meningsuiting. Unia heeft een lijst opgemaakt van die grenzen. Wat de bisschoppen in hun persbericht schrijven, komt niet in de buurt.

De Mulder hoeft het niet eens te zijn met wat de bisschoppen zeggen en mag daarover haar mening verkondigen. Toch maak ik me zorgen over wat ze schrijft: ‘Als een bisschop al een mening over abortus verkondigt, lijkt het mij logisch dat hij vooral de aspecten bespreekt die relevant zijn voor zijn sekse.’ Wordt dat de nieuwe norm voor ethische discussies? Die zin wekt ook verbazing omdat hij komt van iemand die de gelijkheid van man en vrouw of minstens de gelijkwaardigheid een onvervreemdbare hoeksteen noemt.

Het is opmerkelijk dat anno 2019 bepaalde mensen hun mond moeten houden over aspecten van een ethische kwestie, omdat ze niet getrouwd zijn en niet de juiste sekse hebben. Dat is in mijn ogen dan weer een brug te ver.

Bron: standaard.be

Christ and the common life

Christenen en politiek. In Vlaanderen lijken maar weinigen heil te zien in die combinatie. Sowieso hebben veel Vlamingen het gevoel dat politiek zich boven hun hoofden afspeelt en christelijke (misschien moet ik vooral protestants-evangelische zeggen) Vlamingen zijn er dan ook nog eens van overtuigd dat de politiek anti-religieus is. Je zou voor minder afhaken.

In Christ and the Common Life voert Luke Bretherton echter aan dat een van de cruciale vragen van politiek is hoe een gedeeld leven (common life) opgebouwd en volgehouden kan worden tussen mensen die verschillend zijn. Vanuit die optiek is het net belangrijk dat christenen aanwezig zijn in het publieke debat om tot een gedeeld leven te komen. Zij hebben daarenboven een verhaal te vertellen dat een belangrijke bijdrage kan vormen aan een maatschappij. 

Voor Bretherton is politieke theologie een ‘interpretatieve kunst die streeft naar getrouwe, hoopvolle en liefdevolle uitspraken over hoe samen te handelen in antwoord op gedeelde problemen’. Ofwel: het is het zoeken vanuit geloof, hoop en liefde met niet- of andersgelovigen naar een antwoord op maatschappelijke problemen. Dit gebeurt door actief te luisteren, zowel naar hen die binnen als naar hen die buiten onze primaire gemeenschap staan. Politieke theologie staat dus niet los van politiek en maatschappij, maar is ermee in gesprek om te streven naar een gedeeld leven. 

Het boek is onderverdeeld in drie delen. In het eerste deel werkt Bretherton een reeks case studies uit, waarin hij om te beginnen ingaat op hoe naastenliefde zich verhoudt tot politieke theologie. Daarna bespreekt hij Black Theology als een stroming binnen de politieke theologie en legt hij bloot hoe men ook binnen de pinksterbeweging, het rooms-catholicisme en anglicanisme politiek geëngageerd is. In deel twee behandelt Bretherton thema’s als gemeenschap of klasse-denken, seculariteit versus secularisme en tolerantie. Deze issues waarin Bretherton structurele ongelijkheid en sociale conflicten beschrijft, vormen uitdagingen voor het volhouden van een gedeeld leven en bevragen de rol van de kerk hierin. Het hoofdstuk over seculariteit versus secularisme is overigens een zeer actueel deel voor lezers uit deze contreien. In het laatste deel graaft de schrijver de fundamenten van zo’n gedeeld leven uit. Centraal daarin staat de vraag wat het betekent om mens te zijn. Ook economie, soevereiniteit, populisme en democratie krijgen er hun plaats. 

Christ and the common life is geen slappe kost, geen hapklare brok, geen fastfood. Luke Bretherton schrijft met een zoekend hart, met een diep verlangen om vanuit het evangelie, vanuit geloof, hoop en liefde, te werken aan een gedeeld leven (een samen-leving). Hij is overtuigd van de meerwaarde van het christelijk verhaal, maar beseft dat dit niet kan gebeuren vanuit een heersende of opdringerige houding. Dé uitdaging zit in het samen zoeken met wie niet of anders gelooft.

Terwjl ik het boek aan het lezen was, werd de nieuwe Vlaamse regeerverklaring voorgesteld. Daarin lees je een aantal verwijzingen naar gedeeld burgerschap of Vlaams burgerschap. Ik geloof dat wij, vanuit onze christelijke overtuiging, goede burgers (kunnen) zijn. Mensen die vanuit de joods-christelijke waarden (de wortels van ons denken) een hoopvolle en liefdevolle bijdrage kunnen leveren om te komen tot een gedeeld leven. 

Luke Bretherton, Christ and the common life: Political theology and the case for democracy (Eerdmans, 2019, 480 blz.)

Aan een graf

Ze zouden 70 jaar huwelijk gevierd hebben. Hoewel, gevierd. Zij leed de laatste tijd veel pijn. Het was beter zo. Voor haar. Niet voor hem. Hij blijft achter. Na een lang leven samen. In dit geval is het terecht om te spreken over een lang én mooi leven samen. Maar hij blijft dus achter, gebukt en gebroken.

We lopen achter de kist naar het graf, zachtjes keuvelend, herinneringen ophalend. De laatste druppels van een overgewaaide bui vallen op onze hoofden en schouders. Verzameld rond de kist klinkt een laatste tekst en een laatste lied, maar de dood is hard. Ze zakt onverbiddelijk in de grond. De kist. Zijn vrouw.

Een na een passeren we voor een laatste groet. Correctie, niet een na een, maar in groepjes. Voor mijn ogen voltrekt zich een, ik kan het niet anders zeggen, wonder. De gebukt gaande echtgenoot staat daar niet alleen. Hij wordt letterlijk en figuurlijk ondersteund door dochter en schoonzus. Een koppel volgt hen. Een gezin. Meer gezinnen. Enkele vrienden. Samen. Ik vraag me af hoe eenzaam degene is die alleen aan het graf van een geliefde staat. Gelukkig zie ik dat niet gebeuren. Ik zie hoe mensen elkaar vinden, troosten met woorden en een knuffel of zwijgen en elkaar aankijken met tranen en begrip in de ogen. 

Onze maatschappij drijft op de keuze van het individu, de keuze voor het individu. Aan een graf wordt de verheerlijking van het individu echter weggeblazen als een regenbui. Een tijd van rouw geeft een heldere blik op de nood die we hebben aan elkaar. Die nood is vaak ondergesneeuwd, bedekt door een laag keuzes die ons tijdelijk een prettig gevoel geven en de directe confrontatie met onze eenzaamheid wegnemen. We draaien ons een rad voor ogen als we denken dat we alleen beter af zijn. Het is tijd voor een opwaardering van het woord ‘samenleving’, ten voordele van het woord ‘maatschappij’. Dat laatste klinkt koud en afstandelijk, als een dood lichaam in de grond. Het eerste zegt wat het is: samen leven. Kiezen voor de ander. Een wezenlijk onderdeel van mijn geloof, maar het is voor elk mens, gelovig of niet, de betere weg. 

Een graf. Een wake up call om niet te wachten met samenleven tot de dag dat je niet meer wakker wordt.

Een stap in de richting van LEF? Of juist de doodsteek?

De voorbije weken werd er veel tegenwerk geboden aan het eventueel morrelen aan de uren levensbeschouwing. Zou er een uur verdwijnen ten voordele van een uur Nederlands of ten voordele van een uur LEF (levensbeschouwing, ethiek en filosofie)? Intussen zijn de plannen van de Vlaamse regering met betrekking tot de uren levensbeschouwing bekend. In de derde graad van het gemeenschapsonderwijs mag één van de twee uren ingevuld worden door interlevensbeschouwelijke dialoog. Een stap richting LEF, of de doodsteek?

Dialoog in LEF, of LBV?

Op twitter maakte Patrick Loobuyck op 26/9 een opmerking naar aanleiding van een artikel op Doorbraak. In dat artikel riepen enkele studentenverenigingen op om van de levensbeschouwelijke vakken (LBV) af te blijven. Loobuyck vond dat daarin vooral argumenten voor LEF gegeven werden en schreef: ‘Geen enkele verwijzing naar het belang van getuigend binnenperspectief. Geen enkel argument waarom het goed is leerlingen in officieel onderwijs per levensbeschouwing afzonderlijk te zetten, etc.’

LEF
Patrick Loobuyck/Twitter

Ik moet hem daarin eigenlijk wel gelijk geven. Veel van de aangehaalde argumenten in de diverse artikels passen inderdaad bij een pleidooi voor LEF. Maar eveneens bij een pleidooi voor de bestaande levensbeschouwelijke vakken. Willen we meer dialoog? Daar kan zowel in LEF en in LBV aan gewerkt worden. Is er meer inzicht nodig in de achtergrond van onze (joods-christelijke) waarden? Dat kan zowel in LEF als in LBV. Willen we meer kennis van de andere levensbeschouwingen? Zowel bij LEF en bij LBV kan die kennis gegeven worden.

Hoewel ik, als voormalig leerkracht PEGO (protestants-evangelisch godsdienstonderwijs) in het secundair onderwijs, wel van mening ben dat wie een bepaalde levensbeschouwing heeft, daar ook het meest doorleefd over kan spreken. Daarenboven wordt door niet-christenen over het christendom nogal eens de grootste onzin verkondigd. Dat is niet zo vreemd, want in mijn denken en spreken over de islam of het humanisme zal ik ook niet altijd juist of genuanceerd genoeg zijn.

Interlevensbeschouwelijke competenties

Terug naar de gedachte dat zowel in LEF als in LBV gewerkt kan worden aan dialoog,  kennis van de diverse levensbeschouwingen en de achtergrond van onze waarden. De keuze die de nieuwe Vlaamse regering gemaakt heeft, ligt in die lijn. Interlevensbeschouwelijke competenties via eindtermen opleggen, is een vrij simpele oplossing, een eenvoudig compromis. Een uur levensbeschouwelijke dialoog kan, zonder het systeem van de levensbeschouwingen op zijn kop te zetten, tegemoet komen aan de verzuchting van sommigen. Je zou het kunnen zien als een stap in de richting van LEF, hoewel het, zo neem ik aan, voor de voorvechters ervan niet ver genoeg gaat.ADVERTENTIE

Het zou ook de doodsteek kunnen zijn voor LEF. Stel dat de leerkrachten LBV in de komende vijf jaar aantonen dat zij op een mooie en gezonde manier werken aan dialoog, aan kennis van elkaars levensbeschouwelijke overtuiging, aan het erkennen van de achtergrond van onze waarden. Zou de roep om LEF dan niet voor een aanzienlijk deel in de kiem gesmoord worden?

Is het voorstel van de Vlaamse overheid een stap richting LEF is of de doodsteek voor LEF? De toekomst zal het uitwijzen, maar intussen kunnen die interlevensbeschouwelijke competenties (al dan niet via een uur interlevensbeschouwelijke dialoog) uitgebouwd worden tot een bron van onderling respect, vriendelijkheid, openheid en vertrouwen. Er ligt wat dat betreft een grote verantwoordelijkheid en tegelijkertijd een mooie kans bij de leerkrachten LBV.

Kritisch nadenken over eigen geloof

Ik eindig met de openstaande vraag van Patrick Loobuyck: waarom is het goed dat leerlingen per levensbeschouwing afzonderlijk zitten? Ik heb, in de elf jaar dat ik leerkracht PEGO was, steeds geprobeerd om mijn leerlingen op te voeden tot kritische denkers ten opzichte van hun eigen overtuiging. Over het christendom wordt nogal eens onzin verkondigd, schreef ik eerder, en jammer genoeg zijn het niet enkel niet-christenen die zich daaraan bezondigen. Mijn belangrijkste taak als leerkracht was om mijn leerlingen kritisch te leren nadenken over wat ze geloofden. Niet om hun geloof af te breken, maar om hen bewust te maken van datgene dat ze klakkeloos aannamen, maar theologisch gezien langs alle kanten rammelde.

Ik geloof dat iemand die geen, om even vanuit mijn geloof te spreken, christen is zoiets niet kan. Je moet iemand kritisch maken ten opzichte van zijn geloof zonder zijn geloof af te nemen. Dat is balanceren op de slappe koord. Je moet voortdurend zoeken naar nuance en fijngevoelig zijn als het gaat over diverse denkrichtingen van een levensbeschouwing. Om die reden is het goed om leerlingen volgens levensbeschouwing apart te zetten. Het biedt mijns inziens meer kansen om genuanceerde, weldenkende gelovigen te vormen wiens levensbeschouwelijke identiteit hand in hand gaat met goed burgerschap.