Hoe vaak denkt u ‘Ben ik mijn broeders hoeder?‘ Ik niet zo vaak… Deze zin is meer een gevleugelde uitdrukking geworden.
Afgelopen zondag hoorde ik een preek, die mijn ogen (een beetje) geopend heeft voor dit vers. Het werd namelijk geplaatst in de context van de gemeente.
Eerste vraag: Wie is onze broeder/zuster in de gemeente? Iedereen.
Tweede vraag: Wat denken wij als we horen van iemand die moeiten heeft, een praktisch probleem, ziekte, zonde? Waarschijnlijk denken we niet zo duidelijk: ‘Ben ik mijn broeders hoeder? Moet ik op mijn broeder/zuster letten?’ En toch gaan onze gedachten vaak die richting uit. ‘Iemand anders (vaak: de oudsten) zal wel op die broeder/zuster letten’. ‘Iemand anders zal er wel voor zorgen dat hij/zij krijgt wat hij moet krijgen’. ‘Iemand anders zal die persoon wel bijstaan in zijn worsteling tegen zonde.’ Dat is zoveel als zeggen: ‘Ben ik mijn broeders hoeder?’
Ja, u bent uw broeders hoeder.
